zaterdag 24 december 2016

Overvloed


Overvloed

In het jaar van de grote europese teloorgang ontplofte de boel zo grondig en dusdanig en op een plek die geografisch gezien niet ver van ons bed meer was maar waar gelukkig enkel asielzoekers vertoefden waardoor er dus geen autochtonen bij de vele slachtoffers waren. Het zat er al lang aan te komen en het was slechts een kwestie van tijd. En tijd hadden ze, de asielzoekers. En juichen dat de inwoners van het naburige stadje deden want nu waren ze in één klap van al die vervelende parasieten af en dat werd hoog tijd want als je niet van het hierboven aangehaalde stadje kwam dan kon je onmogelijk begrijpen wat voor miserie die verdomde asielzoekers brachten. Wat het meedogenloze water van de middellandse zee niet had kunnen voltooien hadden de bommen van een weldra zich bekend makende en de aanslag opeisende terreurcel of een geheime dienst van een of andere politieke en/of economische grootmacht gelukkig kunnen voltooien. Meer dan vijfhonderd hongerige monden die geen honger meer moesten lijden. Mooi zo. Min vijfhonderd, zo tweette iemand. Want wij maar werken voor onze kost en ook voor de hunne en zij die er geen klop voor deden. Als ze mooi in hun eigen land waren gebleven en verdomme moeite hadden gedaan het met hand en tand te verdedigen (had men hun gevoel voor patriottisme misschien bij de geboorte verwijderd?) was dat allemaal niet zover gekomen. De plaatselijke krant sprak zelfs van een overwinning op de zwermen ongedierte die al jaren onze kusten en grenzen aanvallen en besmeuren met hun ongewassen en onverzorgde lijven en bedenkelijke hygiëne van hun bestaan als verstekeling en profiteur van onze Staat. Dat ze in hun eigen land maar gaan profiteren. Als ze onderweg niet verzuipen zullen ze hier de lucht in gaan.
De politie deed helemaal niets vanwege de mensenrechten en de politiek keek de andere kant op dus moesten we maar zelf het recht in handen nemen. Op zee vielen we de sloepen aan zoals in de tijd van de piraten. We enterden de bootjes en sloegen alle immigranten halfdood met stokken. Mannen, vrouwen, kinderen, dat maakte ons niet uit. Als ze dan de kust bereikten en niet in die laatste honderden meters verdronken wachtte een tweede militie hen op het strand op. Daar maakten knokploegen komaf met de sterk verzwakte horde immigranten. Maar het was vechten tegen de bierkaai. Uiteindelijk belandden de overlevenden toch nog in onze ziekenhuizen waar ze weer werden opgelapt op onze kosten en onderdak kregen op onze kosten. Het was weinig efficiënt dus moesten we naar andere middelen grijpen. Ondertussen zwol Containerstad maar aan en werd het een Metropool van de Miserie waar de asielzoekers als beesten leefden en ziekten wisselden zoals wij vroeger met flippo’s en kaarten van voetballers.
Die bewuste dag, de dag van de aanslag, was Jaamuls tweehonderdentiende dag in Containerstad en hij wist de aanslag te overleven en dat als een van de weinige zogenaamde inwoners van deze bedenkelijke metropool. Hij zette door. Trok de flarden ijzer uit zijn lijf en drukte een vod tegen zijn bloedende mond om zich zo uit de vlammenzee te redden net zoals hij de odyssee op zee had overleefd.
En zo komt het dat Jaamul met zijn klikken en klakken en intacte kloten in Café Het Paard belandde en er ondanks zijn duidelijke nood aan medische verzorging niet enkel werd buiten gekeken maar ook nog eens met zijn klikken en klakken en minder intacte kloten werd buiten getrapt als ware hij de eerste de beste kakkerlak of vuile vluchteling of zo. Bijna hadden ze hem doodgetrapt zoals ze die dag op het strand met enkele negenjarige meisjes en zeventigers en kreupele mannen en vrouwen en hun doodzieke baby’s hadden gedaan. Daar was hij maar mooi aan ontsnapt zij het met enkele blutsen en builen erbij en dus minder intacte kloten en zo moest hij van de regen in de drop opnieuw de regen in en als enige overlevende van de aanslag, althans dat dacht hij, hield hij zich schuil in het minst zwartgeblakerde deel van Containerstad en dat zonder vrouw (die had hij in de brand achtergelaten en misschien hing haar verkoolde romp wel ergens in het skelet van een boom te bengelen) en zonder zoon (die had hij op zee verloren) en zonder dochter (hij heeft met eigen ogen gezien hoe zij eerst verkracht werd en vervolgens aan stukken gereten en dat allemaal in zijn land van afkomst waarvan wij beweren dat daar helemaal niets aan de hand is of toch niets om helemaal per boot naar europa voor af te zakken met gevaar voor eigen leven en dat van vrouw, zoon en dochter).
“Het is erg gesteld met de gastvrijheid van dit land als een brandend containerpark er de veiligste plek is voor hulpeloze asielzoekers zoals wij”, klonk het tussen de wind en de regen en het vuur en de rook en de as en de geur van verrotting en aangebrand vlees door. Jaamul was niet de enige overlevende, zo bleek.
Een lichtjes aangebrande maar zwaar gehavende man naderde Jaamul van achter een brandende container en reikte hem de aan flarden gereten hand.
“Dicht bij het vuur durven ze niet te komen. Daar hebben ze schrik voor. Wij daarentegen zijn het vuur gewend geraakt. Maar een ongastvrije meute inboorlingen dat is niet voor ons. Daar zijn wij niet tegen opgewassen. Die haat. Je kan het in hun ogen zien. Zij spugen op alles wat vreemd is. Het liefst vermorzelen zij ons onder hun hielen. Wij zijn kakkerlakken. Parasieten. Ze zouden onze lijken nog niet aan hun honden willen geven.”
“Hoe lang zullen we het hier kunnen volhouden”, probeerde Jaamul voorzichtig.
“Ik weet wat jij denkt. Dat ik het misschien nog tot morgen vroeg volhoud, maar dat je dan met een lijk zult zitten.”
“Zonder medische hulp zijn we ten dode opgeschreven.”
“Zonder medische hulp ben ik ten dode opgeschreven.”
“Hoe hebben ze…”
“Ze hadden planken en knuppels met verroeste nagels van zo’n twee centimeter lang. Weet je wat ik heel de tijd deed toen ze op me in hakten en sloegen? Ik beschermde mijn ogen. Anders was ik ze kwijt geweest.”
“Die… die beesten… De rollen zouden eens…”
“Wij zouden hetzelfde doen. De luxe van de bevoorrechte. Angst als goed geoliede motor van hun bloeddorstige drang tot moorden. Ze hebben schrik van ons. Ze denken dat we het hier komen overnemen.”
“Ik walg van hen.”
“Ze hebben me daarna in het vuur gegooid. Ik bleef liggen tot ze weg waren. Het werd hen letterlijk te heet onder de voeten.”
“Ik heet Jaamul en jij?”
“Mijn naam is Dtmir.”
Samen keken ze hoe het vuur bleef branden. Hoe de zee wrakstukken op het strand bleef werpen. Hoe de zon niet opkwam.
Natuurlijk nam niemand de dood van duizenden drenkelingen voor zijn rekening, noch de voormalige europese unie, noch de niet meer zo verenigde staten. Of deze twee grootmachten de rebellen nu geld en wapens hadden toegestopt of niet, dat maakte niet veel uit, aldus hun tientallen presidenten. De vluchtelingen zijn immers zelf, op eigen krachten, in dat bootje gestapt. Ze zijn zelf hun dood tegemoet gevaren. Ze hadden ook in hun eigen land kunnen blijven, en ofwel vechten, ofwel schuilen, maar dat hadden ze niet gedaan. Ze hadden een mensensmokkelaar geld betaald en die had hen over de zee gevoerd, met als bestemming het rijke maar zieke fort europa, echter die bestemming haalde lang niet iedereen. De zee nam tot zich wat het land niet langer kon verdragen.
“Dat ze nergens welkom zijn, hebben ze louter aan zichzelf te danken”, zei de minister van binnenlandse zaken van één van de landen van de voormalige europese unie. “Je bestormt niet zomaar met duizend man een weerloos continent. En je rekent er al helemaal niet op dat ze je met open armen zullen ontvangen. Dat is van een ongeziene agressieve naïviteit.”
“Ieder voor zich”, had de man die zich Dtmir noemde nog gemompeld. Niet veel later was hij als een zak meel in elkaar gezakt. Al is zijn wil van ijzer, een aan flarden gereten vleeshomp zal vroeg of laat door de zwaartekracht worden verraden. Jaamul sloot Dtmirs ogen en keek verder naar het vuur. Voor hem mocht het nog een hele tijd blijven branden. De vlammen vormden zijn nieuwe thuis. Maar niet voor lang meer.
Hij wachtte nog een volledige dag en nam dan eindelijk de benen. Eerst over het strand en dan het bos in. Pas na verscheidene uren lopen stierf de oranje gloed van Containerstad weg in de zwarte door boomstammen geschrapte horizon die zijn recente verleden omvatte. Nu was alles nog wankele toekomst. Geen levende ziel had hij ontmoet. Hadden ze zich ergens met honderden teruggetrokken? Waren ze zich aan het groeperen? Of zaten ze alweer tot aan hun kin in hun dagelijkse beslommeringen? Achter de kassa in de supermarkt of op kantoor. ’s Avonds enkele smerige vluchtelingen kapot maken. ’s Anderendaags opnieuw travakken. Het leven kan eenvoudig zijn als je hier bent geboren.
Een scherp geluid dat razendsnel dichterbij kwam. Dan de even scherpe pijn. Hij had de pijl niet zien aankomen. Genageld aan een fruitboom van honger en ontbering omkomen. Meerdere hellen ontsnappen om dan hier op zo’n belachelijke manier aan zijn einde te komen. Of zou zijn belager nog even hallo komen zeggen?
De oranje gloed zette zich al dik aan op de hoge boomtoppen wanneer een groepje van vier mannen eindelijk kwam opdagen. Ze brachten een lang touw mee. Door het vele bloedverlies van de pijl in zijn been had Jaamul het bewustzijn verloren, maar dat duurde niet lang meer. Een vuistslag in zijn gezicht bracht hem ogenblikkelijk weer bij kennis.
“Gek hoe een man zowel in zwijm kan vallen als wakker kan worden van een slag in het gezicht, hangt er maar van af in welke staat hij zich bevindt. Heeft er iemand een speciale interesse in na te gaan na hoeveel dreunen hij naar de eeuwige jachtvelden zal vertrekken?”
“Niets daarvan. Ik wil zijn nek horen breken. We hebben dat zware touw niet voor niets helemaal naar hier gesleept.”
“Dan moeten we eerst die pijl uit zijn been krijgen. Of toch tenminste uit die boom. Lijkt me ook een heel karwei.”
“Wat kunnen jullie een stuk zaniken, die van ons is er niets tegen. Als we samenwerken is de klus zo geklaard.”
Dat zei de grootste van de vier mannen. Hij was de meest angstaanjagende man die Jaamul ooit had gezien. En het is nu niet dat Jaamul geen angstaanjagende mannen in het recente verleden was tegengekomen. Hij was bijzonder gespierd. Zijn armen en benen waren niet veel dunner dan de boom waaraan hij gespietst was. Zijn volle zwarte baard was warrig en onverzorgd.
“Je had in je eigen land moeten blijven, makker. Daar waar je thuishoort. Dat is niet hier”, gromde hij zijn gele tanden bloot.
“Maar…”, begon Jaamul nog. Maar wat kon hij in godsnaam nog vertellen dat de mannen op andere gedachten zou brengen. Hij kon hen vragen waarom ze hem zo haatten, maar dat antwoord kende hij al. Hij had hen kunnen zeggen dat zijn dood niets zou uithalen. Dat er nog honderdduizenden zouden komen. Dat het een druppel op een hete plaat was. Dat ze hem beter konden helpen. Zijn wonden verzorgen. Hem een douche en een avondmaal aanbieden. Hem onderdak geven. Dat hij niets verkeerd had gedaan. Dat hij op de vlucht was omdat ze hem alles hadden afgepakt en naar het leven stonden. Zijn landgenoten maar ook hun landgenoten. Dat ze niet moesten opgaan in de massahysterie waar de inwoners van dit land zo gevoelig voor bleken te zijn, maar zich moesten afvragen waar het gevaar zat, hoe reëel hun angst was, of ze de dingen niet oneindig veel erger maakten zo. Het zou niets uitmaken. Hij had het kunnen proberen want proberen gaat mee en een nee heb je en een ja kan je krijgen.
En dus liet hij zich maar losmaken van de boom. En dus verbeet hij de pijn maar toen ze de pijl uit zijn been haalden. En dus wachtte hij tot ze een lus in het koord hadden gemaakt. En dus stond hij toe dat ze die lus over zijn hoofd trokken en het koord aanspanden rond zijn nek. En dan moest het echte fysieke werk nog beginnen. Het was zwaar werk, maar veel handen maken licht werk. En enthousiasme in een hogere dosis dan nodig maakt het nog gemakkelijker. Alsof ze zo hun eigen toekomst niet opknoopten. En dat van hun land. Dat van hun kinderen. Wat zouden ze hun kinderen vertellen? En hoeveel lotgenoten van Jaamul hadden ze al opgeknoopt? Hoeveel hadden ze er aan bomen vastgepind en doodgeslagen? Hoe lang zou het duren eer het land werkelijk werd overspoeld? Zou een volgende golf van vluchtelingen hier een tweede oorlog te wachten staan? Hoe lang zou het duren eer de vluchtelingen in de meerderheid zijn? Ondervoed en uitgeput maar gewoon met veel meer? Een vloed van honger en ontbering maar ook van vastberadenheid en overlevingsdrang. Het was koffiedik kijken. Maar niet voor Jaamul. Die hing vier meter hoog te bengelen. Vier meter hoog. Want hoger lukte het hen niet hun schaamte te hijsen. En zo hing hij wat uit het zicht. Goed verborgen achter de bladeren en de bloesems.
De bebaarde man slaakte een diepe zucht en keek zijn kameraden lachend aan. Of ze dachten wat hij dacht. Het was iets voor zes. Als ze zich haastten zouden ze de aftrap nog halen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen