dinsdag 24 juli 2012

Flaubert in Rouen

Flaubert in Rouen

Ik zit in een brasserie in het 8e arrondissement van Parijs van een spaghetti te genieten, met zicht op de weinig appetijtelijke maar geniale videoclip van Radioheads 'Paranoid Android' dat op een scherm wordt afgespeeld en blik terug op mijn wandeling door Parijs in het teken van Victor Hugo, die ik net heb afgerond. Tussen enkele happen door lees ik de brieven die Bart Van Loo aan Gustave Flaubert, de vader van het Franse realisme, schrijft. Aangenaam om te lezen en erg informatief. Gustave Flaubert, de onverbeterlijke purist die steeds op zoek was naar le mot juste, haatte Parijs. Hoewel er wel enkele adresjes zijn - geen énkele 19e-eeuwse Franse schrijver kon om Parijs heen - heeft het niet veel zin hem hier lang rond te volgen. Op naar Normandië dan maar!
Na een treintocht langs beboste rotsen, kliffen en kastelen, en de serene Seine, houdt de trein halt in Rouen. Hier zal ik een heel ander Normandië leren kennen op mijn D-Day reis in de buurt van Caen, ondertussen alweer acht jaar geleden. Mijn eerste kennismaking met het échte Frankrijk, met als hoogtepunt een daguitstapje naar het wereldwonder Mont Saint-Michel. In dat jaar trok Bart Van Loo ook rond in onder meer Normandië, van Croisset naar Ry naar Trouville. Aangezien ik niet veel tijd heb, beperk ik me tot Rouen, een stad die al lang op mijn Franse verlanglijstje staat. Veel tijd heb ik ook niet nodig. Aan Bart Van Loo's literaire tochten ging zoveel voorbereidings- en leeswerk vooraf. Ik daarentegen volg, naast al die dode schrijvers, ook Bart zelf doorheen Frankrijk, herkauw het voorgekauwde, bewandel platgetreden paden; ik vertrek naar Parijs, volg de uitgestippelde routes, stop af en toe om in Les Misérables, of Le Père Goriot, of Boule de Suif, of Lettres de mon moulin te lezen, en zet alles nadien rustig op m'n blog. Bart Van Loo heeft een indirect meesterwerk geschreven, gebouwd bovenop vele heilige huisjes, dat is waar, maar een onmiskenbaar portaal naar de wereld van de 19e-eeuwse Franse roman. Het is mede dankzij zijn geestdriftige lezingen en zijn boek Parijs Retour dat ik meer dan vijf jaar geleden al m'n eerste Zola, Balzac, Maupassant, Flaubert en Sand achter de kiezen had. Later volgden Stendhal, Chateaubriand, Hugo, maar ook Gide, Céline, Sartre, Camus, Merle, Perec, Queneau, Daeninckx, Robbe-Grillet en nog zo veel anderen. Mijn reisverslagjes zijn dus niet alleen ter ere van de vele steden en schrijvers die de revue passeren, maar ook een soort van ode aan Parijs Retour, een boek van grote betekenis voor mij.
Het is avond maar nog heel mooi weer. Ik moet nog een slaapplaats vinden. Rouen is de moeite. Jeanne d'Arcs middeleeuwse donjon en de typische vakwerkhuisjes - die je hier werkelijk overal vindt, het ene al mooier dan het andere - ademen de sfeer van lang vervlogen tijden uit. Op de Place Charles de Gaulle laat Napoleon zijn paard trots steigeren, met achter hem een stadhuis in die typische strenge eenvoud van de Republiek. Liberté. Egalité. Fraternité. Daarnaast staat de gotische Eglise Saint-Ouen en in de verte zie je ook de opmerkelijke flèche van de kathedraal. Enkele jongeren skateboarden op het plein en vanuit het tuintje voor de kerk klinkt een weemoedige dwarsfluit. Even later merk ik dat de muzikant voor de ruïne van de kloostergang staat te spelen. De ideale schuilplaats voor drinkebroers en hangjongeren. Groen glas breekt bij elke stap onder mijn voeten, terwijl ik me probeer voor te stellen hoe de voormalige abdij er ooit heeft uitgezien. Onder de wegebbende klaagzang trek ik richting die zo bekende kathedraal, met haar 150 meter de hoogste van Frankrijk.
De mooie vakwerkhuisjes in de gezellige straatjes zien eruit alsof ze elk moment kunnen instorten, kreunend onder de eeuwenlange druk van de zwaartekracht. De Place Saint-Armand steelt meteen mijn hart. Het plein, met als middenpunt een borstbeeld van Monet, is oogverblindend... schattig. Ik blijf hier even in gedachten verzonken zitten, terwijl mijn ogen, hongerig naar al dat moois, de roze bloesems en de felgekleurde huisjes gretig verorberen. Maar ik blijf niet lang. De flèche lonkt in de verte.
De Notre-Dame is adembenemend. Hier ondervind je echt het Stendhalsyndroom. De drie massieve tores en de façade, met meer torens, zijn rijkelijk versierd en slaan menige toerist met verstomming. Verschillende bijbelse taferelen staan afgebeeld op de façade, die gedeeltelijk in de stellingen staat. Dat van de dood van Johannes de Doper en de op sensatie beluste danseres Salomé, heeft Gustave Flaubert geïnspireerd voor 'Herodias', een van zijn drie Contes, en naast Madame Bovary ook het enige werk dat ik van hem heb gelezen. Flaubert haatte de spitse flèche bovenop de achterste toren. Ik kan er alleen vol bewondering naar kijk en blijven kijken, en ben al benieuwd naar het uitzicht vanop de linkeroever van de Seine.
En het houdt niet op: de winkelstraat Rue du Gros Horloge met enkele van de mooiste gevels die Rouen rijk is en centraal in de straat die overvloedig gedecoreerde klokkentoren; het schitterende justitiepaleis; de eenzame Tour Saint-André, die wel het kleine broertje van de Parijse Tour Saint-Jacques lijkt. Bij zonsondergang steek ik de Seine over en bewonder het uitzicht op de rechteroever. Na een poosje neem ik een andere brug terug en zet ik me op een bankje tegenover de kathedraal. Jammer dat ik Madame Bovary niet bij heb. Graag had ik de wereldberoemde koetsscène hier herlezen. Na een bezoek aan de kathedraal stappen Léon en Emma een rijtuig in, dat als een bezetene door de stad begint te rijden. Dit wordt op zo'n meesterlijke en suggestieve manier beschreven dat elke lezer wel moet toegeven dat dit een van de beste indirecte sekspassages uit de literatuur moet zijn. Wilde, hartstochtelijke seks was nog nooit zo subtiel beschreven. Samen met Emma's sterfscène is dit mijn favoriete stuk uit Madame Bovary, het meesterwerk van het Franse realisme, maar tegelijk ook voorloper van diverse technieken en stijlen die in de 20e eeuw het modernisme zullen typeren, en toch nog met een duidelijke romantische grondslag, ook al wil Flaubert de lezer net waarschuwen voor de gevaarlijke invloed van pathetische romans op naïeve, dromerige lezers. Madame Bovary is een innovatief meesterwerk, ontroerend maar niet altijd even gemakkelijk.
De volgende dag stuit ik tijdens een stadswandeling op Gustaves standbeeld, dat van op de Place des Carmes naar de hoogste toren van Notre-Dame tuurt. Het interieur van de kathedraal is verbluffend, maar kan naar mijn mening nog net niet tegen dat van de Notre-Dame van Reims op.
Iets verder kom ik de flamboyante Eglise Saint-Maclou tegen, die momenteel in de steigers staat. Tegenover de kerk vind ik een doorgang die me naar het Aître Saint-Maclou leidt, een voormalige necropolis, met een rustige, lichtjes lugubere binnenplaats versierd met afbeeldingen van doodskoppen. Het werd in de 14e eeuw aangelegd, tijdens de vreselijke pestepidemie, die lelijk te keer ging in Rouen en in zoveel andere West-Europese steden.
De Place du Vieux Marché ligt er veel vrolijker bij. Hier vind je het vreemde maar indrukwekkende 20e-eeuwse bouwwerk Eglise Sainte-Jeanne d'Arc, met binnenin de opvallende glas-in-loodramen van de Eglise Saint-Vincent, die hier vroeger stond en waarvan je de grondvesten nog kan zien op het gezellige Place du Vieux Marché. Geen typische, alledaagse kerk!
De op het moment geïmproviseerde stadswandeling leidt me nog langs het architecturale pareltje Hôtel de Bourgtheroulde, waar opnames zijn, de Temple Saint-Eloi en de Préfecture van de Haute-Normandie. In Rue Lecat 51 houd ik halt. Hier wordt Gustave Flaubert geboren, te midden van doodzieke patiënten en stinkende lijken. Zijn vader is chirurg en Gustave krijgt al meteen grote porties van het bittere leven met de eetlepel naar binnen. Helaas is het museum op maandag gesloten.
Het is een hele wandeling van de plek waar Gustave voor het eerst naar adem hapte naar de plaats waar hij ten grave werd gebracht. Zijn laatste rustplaats vind ik in het Cimetière Monumentale de Rouen, op de steile helling van de Mont-Saint-Aignan. De klim loont de moeite. Overal in het kerkhof heb je een prachtig panorama op de wijde omgeving. Eerst bezoek ik het familiegraf Duchamp, waar fans van dadaïst Marcel regelmatig hun eer komen betuigen, zo ook in het Nederlands.
Flaubert sterft in zijn geliefde Croisset maar wordt begraven in Rouen, waar hij nooit echt van heeft gehouden. Ach, het kon erger. Zoals zoveel kanjers uit de Franse literatuur had hij ook in Parijs kunnen worden begraven. Hier ligt hij goed! Ik zet me neer op de stenen omheining tegenover het familiegraf en lees in Parijs Retour de laatste van Bart Van Loo's brieven. Er zijn weinig aanwezigen op Gustaves begrafenis. Zola en Maupassant zijn er wél. De kist is te groot voor het graf en de ceremonie gaat niet van een leien dakje. Het is erg warm hier op de heuvel. Ik geniet van de stilte, die enkel verstoord wordt door het flink gedempte lawaai van de auto's in de stad. Het is heerlijk vertoeven op een kerkhof hoog in de lucht. Ik stop m'n dodenwake, groet het literaire genie een laatste keer en daal tussen de wirwar van grafstenen de heuvel af, waarbij ik de Normandische ereburgers een voor een aan hun eeuwige slaap over laat.

GVL


Bron: Van Loo, Bart, 2006, Parijs Retour, Antwerpen: Meulenhoff | Manteau. Deze bijbel van de goede smaak werd onlangs zelfs nog door Yves Leterme aangeraden als verplicht leesvoer. Ik wist het! Die man houdt gewoon van Frankrijk! De passie stopt dus niet bij het te pas en te onpas La Marseillaise te zingen. 

BVL's Blog: http://bartvanloo.blogspot.be/


Lees ook mijn wilde verhalen over de Parijse strooptocht in de schaduw van die andere Normandiër.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten