donderdag 5 september 2013

Italiaanse zomer


ITALIË 1-4 september 2013

Vier jaar. Zo lang is het geleden dat ik nog voet heb gezet op de gezegende grond van Italië. Ik ben terug. En alles is zo vertrouwd. Ik hou van dit land. Het was te lang geleden.
Rome. Toscane. Triëst. Veneto. Emilia-Romagna. Italië is vier jaar lang blijven spoken. Ik moest terug. Ik wou dat onbeschrijflijke gevoel weer kennen dat ik tijdens mijn vier reizen naar Italië heb mogen proeven. De zonovergoten piazza's. De typische kerkjes met losstaande campanile en battistero. De met cipressen bevolkte heuvels. De pizza's zoals die enkel in Italië smaken. De palazzo's. De fonteintjes. De ruïnes, die getuigen van de vergane glorie van een gigantisch rijk. Deze reis leidt me naar centraal Italië, eerder oost dan west, tussen Apenijnen en Adriatische kust, naar de prachtige cultuur en natuur die de streken Marche en Umbrië hebben te bieden.
Mijn vlucht trakteert me op een voortreffelijk zicht op de besneeuwde bergtoppen, gletsjers en meren van de Alpen en landt vervolgens in de Marche luchthaven. Ik deel een taxi met andere toeristen en geniet van het mooie heuvellandschap. Even later krijgen we een knap zicht op de baai van havenstad Ancona. Dit wat vergeten stadje aan de Adriatische Zee heeft niet zoveel spannends te bieden maar wat historische monumenten en indrukwekkende panorama's betreft, zit je hier goed! Vanaf het station loopt langs een drukke verkeersader een overdekt voetpad, waarvan de arcades versierd zijn met oude foto's van de stad. Zo bereik ik het Lazzaretto van Vanvitelli, een vijfhoekig fort uit de 18e eeuw dat de stad tegen allerhande nare ziektes moest beschermen. In de grachten liggen plezierbootjes. Op de binnenplaats staat een monument. Wellicht is het museum de moeite, maar dat is dan weer dicht. Ancona heeft een grote haven, en dat is allemaal goed en wel, maar het uitzicht op de heuvels en de historische stad, iets meer naar het noorden, is hier wel serieus verpest. Naast het Lazzaretto staat nog een oude stadspoort, Porta Pia, en wat verder, aan de rand van de binnenstad, verwelkomt keizer Trajanus eenieder die de moeite neemt om deze stad te komen bezoeken.
De eerste kerk die we tegenkomen is de schattige Chiesa del Santissimo Sacramento, waarvan de spiraaltoren meteen in het oog springt. Het staat tegenover de opera. In de Via della Loggia kan je enkele palazzo's bewonderen. Vooral de 15e-eeuwse Loggia dei Mercanti mag er zijn. Het centrale plein Piazza del Papa is typisch Italiaans! Het ligt er heel rustig bij op deze zondagnamiddag. Te onthouden zijn de impressionante Torre Civico van het Palazzo del Governo, de Chiesa San Domenico en het standbeeld van Paus Clemens XII. Vlakbij ligt nog een ander plein dat niet mag ontbreken op een wandeling door de stad. Piazza Roma telt twee fonteinen, waarvan vooral de Fontana del Calamo opvalt. Piazza Roma is iets drukker op dit luie uur dan Piazza del Papa. Verschillende mensen rusten in de schaduw van de bomen uit van de hitte, die best fel komt opsteken.
De smalle steeg Via Ciriaco Pizzecolli leidt me naar de Chiesa di San Francesco alle Scale. Als je de vele trapjes beklimt, krijg je als beloning een sober interieur. Gelukkig hangt er ook nog een knap renaissanceschilderij van Lorenzo Lotto. Bovendien is het uitzicht over haven en zee hier erg mooi! Ik nader de Cattedrale San Ciriaco, met losstaande klokkentoren, en passeer heel wat Romeinse en middeleeuwse ruïnes, stadspoorten en -muren en natuurlijk de thermen. De Chiesa SS Pelligrino è Teresa heeft een machtige groene koepel maar verder niets speciaals. Het is de kathedraal die we moeten hebben.
De ingang van de kathedraal wordt bewaakt door twee leeuwen. Het interieur ademt een eeuwenoude waardigheid uit, zij het religieus. Bezoek zeker de schitterende crypte. Wanneer ik de kathedraal verlaat, slaan de hitte en het zonlicht me in het gelaat... en het panorama me met verstomming. Voor het eerst heb ik nu zicht op de pier met de twee Romeinse poorten, die bij de bekendste monumenten van Ancona horen. Achter de kathedraal liggen de ruïnes van het amfitheater, en je kan verder de Colle dei Cappuccini beklimmen via het Parco del Cordeto. Hier torent een opvallende oude vuurtoren hoog boven de stad uit. Aan de oostzijde van de heuvel stuit ik op open zee en in de verte steekt de bijna 600 m hoge groene kolos Monte Conero uit in zee.
Ik daal de heuvel helemaal af en bereikt de versterkte havenmuur, enkele kanonnen en dan de twee antieke poorten, Arco di Traiano en Arco Clementino. Vervolgens wandel ik terug langs Mole Sud en passeer ik de kaserne, het douanecomplex en een hele hoop mensen die het Festa del Mare vieren. In plaats van vuurwerk gebeurt dit onder meer door een oorverdovend 'orkest' van zowel de grote schepen als de plezierbootjes. Best indrukwekkend.
Ik spreek af met Francisco en enkele vrienden en we doen een paar bars. Het is ondertussen donker geworden en tijd om te aperitieven. Op Mole Sud hangen honderden kunstwerken en spreuken/wensen aan het lange hek dat de straat van de haven scheidt. Alles draait rond het thema 'vissen', en de meest uiteenlopende materialen zijn voor de creatieve uitspattingen van de stedelingen en toeristen gebruikt: papier, piepschuim, mosselschelpen, fietsonderdelen...
Twee treintjes brengen me de volgende dag naar Assisi, langs de stranden van Ancona en doorheen het verbluffende berglandschap van de Apenijnen. Assisi is natuurlijk de stad van Sint-Franciscus, de heilige die armoede bestreed en die met de dieren praatte. Het ligt te midden van een magnifiek landschap in hartje Umbrië. Ik doorkruis eerst het Italiaanse platteland, met de typische cipressen en olijfbomen, onder een onverbiddelijke zuiderzon. Het zicht op Assisi - hoog op een heuveltop gebouwd, aan de voet van de Monte Subasio, een Apenijn met geschoren kruin, net zoals Franciscus en zijn volgelingen - is schitterend. De combinatie van de eeuwenoude Citta' della Pace en de Italiaanse boerenbuiten is om in te lijsten. Een weg waarop duizenden namen van geestelijken zijn aangebracht, brengt me naar boven, waar de woorden 'Pax et Bonum' staan te lezen. Via de Porta San Francesco stap ik een religieus, middeleeuws decor binnen, uiterst toeristisch natuurlijk, maar toch nog pittoresk, ook al is de binnenstad helaas niet autoluw. Toch waan ik me op de trapjes die zich een weg banen langs de oude stenen huisjes, in een andere tijd.
De blikvanger is natuurlijk de witte Basilica. Op Piazza Inferiore di San Francesco vertrekken tientallen paarden, hun gekostumeerde ruiters en een cameraploeg de stad in. Het godsgebouw zelf is op z'n minst indrukwekkend te noemen. Dat viel al op aan het begin van mijn wandeling, toen ik het stationnetje buiten stapte en ik de stad aan de horizon ontwaarde. De basiliek is vanbinnen pure pracht en praal. De muren zijn een prentenboek aan fresco's, van de hand van onder meer Giotto, die bij de mooiste horen die ik ooit heb gezien. Vooral dat van het Laatste Oordeel is ronduit schitterend!
In de crypte staat het heiligdom met de tombe van Sint-Franciscus, gestorven in 1226, voor wie het wil weten. De hekken worden vastgeklampt door gelovigen, diep in gebed verzonken, sommigen met het gelaat in de handen begraven. Deze diepgelovige plek maakt indruk, wat je geloofsovertuiging ook is. Een andere kamer toont de 'garderobe' van de heilige. Ik neem de trap naar boven, waar ik opnieuw mijn ogen kan verwennen in de bovenkerk, waarvan de kleurrijke muren het verhaal van Sint-Franciscus vertellen en het briljant versierde plafond de (sterren)hemel voorstelt, bevolkt door Christus zelve en vele engelen. Om de zoveel minuten moet de bewaker door een micro Silenzio! roepen.
Ik dwaal verder door de wirwar van steegjes en trapjes en bereik zo het Piazza del Comune, een gezellig en druk plein waar het Palazzo dei Governo en de goed bewaarde Tempio di Minerva imposant staan te wezen. De robuuste witte Torre Civica van het palazzo staat in knap contrast met de azuurblauwe hemel. Stap zeker de gouden pracht van deze zuilentempel binnen. Het is nu een kerk. Een andere mooi versierde kerk is de San Rufino, met haar massieve toren en haar honderden dierenbeelden op de gevel. Op het plein kan je genieten van een bijzonder zicht op Rocca Maggiore, de kasteelruïne die hoog boven Assisi uitkijkt. Dan maak ik de klim naar deze 1000 jaar oude burcht, vanwaar het uitzicht op de stad, haar omwalling en de omringende heuvels de klim de moeite waard maakt. Het imposante fort toont al zijn kamers en laat je zijn torens beklimmen. Je zit meteen in het decor van een ridderverhaal.
Wanneer ik afdaal, stuit ik op de San Chiara kerk, die de tombe van de heilige Clara, tijdsgenote van Sint-Franciscus en stichtster van de clarissenorde, in haar crypte bewaart. Van op het gezellige plein aan de kerk is het panorama weer erg de moeite. Ik daal verder de heuvel af, langsheen porta's, palazzo's en monastera's en bereik na een erg mooie wandeling op den buiten, te midden van zenuwachtige paarden, het station weer.
Op naar Perugia. Wat me het eerst opvalt aan deze stad is de MiniMetro. Zoiets heb ik nog nooit gezien. Enkelvoudige automatische metrokarretjes rijden enkele meters boven de straat en verbinden de jeugdherberg en het station met de binnenstad. Het traject gaat dwars door de groene randstad, soms op en neer, en als je heel de rit uitzit, krijg je bijna het gevoel dat je in een soort vertraagde rollercoaster zit. Dit soort van openbaar vervoer is de toekomst! Ik kuier wat door het historische centrum maar morgen bezoek ik de stad pas echt.
Een cappuccino smaakt zoveel beter op een zonovergoten Italiaanse piazza. Ik wandel heel de morgen door Perugia. Vooral Piazza IV Novembre verdient de aandacht. Hier spuit de Fontana Maggiore en bewaken leeuwen en griffioenen twee middeleeuwse monumenten: de San Lorenzo kathedraal en het Palazzo dei Priori. De muren van de kathedraal zijn eerder sober te noemen maar de schilderingen op het plafond dan weer ronduit schitterend. In het Palazzo dei Priori kan je gratis de Sala dei Notari binnenwippen. Hier wordt vast druk vergaderd met de blik op het plafond gericht. Ook hier biedt het kleurrijk geschilderde plafond, versierd met verscheidene taferelen, het oog heel wat vertier. Iets verderop biedt een dakterras een magnifiek panorama van de Umbrische heuvels die de stad omringen, en in de verte ook de Apennijnen en Assisi. Een witte ochtendsluier bedekt de ontwakende bossen. Ook het silhouet van de Basilico di San Domenico steekt af tegen de horizon.
Ik kuier verder tussen renaissancegebouwen - het justitiepaleis, een oude apotheek... - en bereik het erg gezellige Piazza Italia, met twee fonteinen elk te midden van een bloemenbed, het verplichte ruitersstandbeeld van Vittorio Emanuele II en het imposante Palazzo della Provincia, met op het dak een reusachtige griffioen die het plein streng in de gaten houdt. Achter het paleis kan je afkoeling zoeken in de Giardini Carducci, te midden van het standbeeld van Vannucci en verschillende borstbeelden. Hier kijk je weer uit over de benedenstad en de Umbrische heuvels.
Die afkoeling krijg ik ook onder het provinciaal paleis, in de ruïnes van Rocca Paolina, een voormalige burcht die in de 16e eeuw door Paus Paulus III werd opgericht om elke oppositie tegen zijn pauselijk bewind te breken. Na een tijdje te hebben rondgedoold door de donkere ondergrondse steegjes, heb ik weer wat zonlicht nodig. In de Giardini Carducci vraag ik een Italiaan de weg naar de Arco Etrusco. Hij vergezelt me, voorbij IV Novembre, helemaal tot aan de stenen kolos en verontschuldigt zich vervolgens dat het antieke monument in de steigers staat. Kijk, dat vind ik nu bijzonder sympathiek. Iets verderop bezoek ik de Pozzo Etrusco, een unieke waterput die in de derde eeuw voor Christus werd aangelegd en zich meteen onder Palazzo Sorbello bevindt. De put is 37 m diep en zelf daal je af tot op een wankel bruggetje op 12 m onder de grond. Best indrukwekkend. In de San Severo kapel achter de hoek bewonder ik de fresco's van Raphael en Perugino. Raphaels fresco is beschadigd aan de bovenkant en God de Vader is bijna volledig uitgevaagd. Verder bevat de kapel nog een beeld van Madonna met kind en een borstbeeld van de jonge Raphael.
Ook de benedenstad mag er zijn. Van op de heuvel bekeken is het een erg groene stad, waaruit verschillende oude kerktorens als paddenstoelen omhoog schieten. Voorbij de basiliek ligt Porta San Pietro, een omvangrijke stadspoort. De Porta Sant' Angelo doet dan weer aan een kasteeltoren, inclusief kantelen, denken. Vlak ernaast ligt de Tempio Sant' Angelo, een rond katholiek heiligdom waar je even tot rust kan komen. En dan is er nog de groene en roze façade van het Oratorio San Bernardino.
Perugia is Rome niet, ook niet Venetië of Firenze, zelfs geen Bologna of Assisi. Toch heeft het net als bijna alle Italiaanse steden veel cultuur en geschiedenis te bieden, de heerlijke Italiaanse piazza's met fonteinen, terrasjes en niet te vergeten de zuiderse schoonheden die even zeer een streling voor het oog zijn als al die veelkleurige fresco's uit de oude kerken, de palazzo's, de monastero's, veel steegjes en trapjes, hier en daar een ruïne uit de Oudheid, de hoogteverschillen en wijde panorama's op groene, grillige heuvels vol met cipressen, de beste keuken van de wereld, en de mooiste taal die er is, die je oren streelt waar je maar gaat. Dit is Italië en meer moet dat absoluut niet zijn.
Onderweg naar Ancona doe ik nog Foligno aan, een gezellig stadje met op de Piazza della Repubblica twee gebouwen die de aandacht verdienen: het bakstenen Palazzo Comunale, dat bijna oranje is van kleur, en de fraaie San Feliciano kathedraal, met aan de buitenkant een mozaïek die Paus Leo XIII voorstelt, biddend op zijn knieën voor Christus, en binnen een schitterend barok baldakijn van de hand van Calcioni.
Terug in Ancona ga ik met Francisco pasta eten op Piazza Roma, aan de Fontana Calamo, die verschillende water spuwende gekke tronies voorstelt. Ooit waren dit de edele hoofden van de koninklijke familie, maar Napoleon vond het gepaster om de Italianen voor schut te zetten door ze door deze saters en duivels te vervangen.
De volgende ochtend maak ik nog een laatste tocht door Ancona, slurp ik mijn laatste echte Italiaanse cappuccino en vlieg ik ver weg van dit wondermooie land, dat ik hopelijk gauw zal terug zien. Deze keer wacht ik geen vier jaar meer. Bella Italia, alla prossima!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen