zondag 7 april 2013

Emile Zola in Parijs

Al jaren ben ik fan. En na al die jaren is Emile Zola nog steeds een van mijn favoriete Franse schrijvers. En dat komt niet meer zo vaak voor onder jonge mensen. Er zijn zoveel andere Franse schrijvers die veel vaker gelezen worden. Ik hou van de man zijn schrijfstijl, de manier waarop hij op bijna wetenschappelijke wijze de door hem uitgekozen leefwerelden bestudeert, analyseert, in woorden brengt. De romans van zijn naturalistische cyclus Rougon-Macquart staan bol van de beschrijvingen, of het nu van landschappen of personages is, en dat maakt zijn boeken al gauw relatief zwaar - zo ook letterlijk, want zijn romans beslaan steeds heel wat pagina's - maar Zola is ook een meester in spanningsopbouw, in het bedenken van tragische situaties en boeiende, door het lot benadeelde personages. Na La ventre de Paris en Germinal is nu zijn derde meest geprezen boek La bête humaine aan de beurt. Mijn derde Zola, en ik heb er zin in!

Telkens kiest Zola een interessant milieu uit om alweer een straf verhaal over te schrijven. De afpeigerende, mensonterende toestanden in de Franse mijnen in Germinal, de Parijse markthallen in La ventre de Paris, het treinverkeer in La bête humaine. Die laatste titel omschrijft ook een van de belangrijkste thema's die steeds in Zola's romans voorkomen: het beest dat in de mens zit, bij sommigen goed verstopt, bij andere als een duvel dat elk moment uit z'n doosje kan springen. We zijn allemaal beschaafde mensen maar we zijn ook beesten, klaar om elkaar te verscheuren. En er is soms niet veel nodig om compleet door het lint te gaan. Je hoeft het laagje vernis er maar af te schrapen en we tonen onze ware aard. In de boeken van Rougon-Macquart gaat het over een ernstige genetische afwijking waarbij de persoon in kwestie, door generaties van overdreven alcoholgebruik in de familie, zelfs geen druppel alcohol nodig heeft om af en toe zo agressief te worden dat hij een gevaar voor zijn medemens wordt.

Die afschuwelijke, levensgevaarlijke ervaring van Jacques Lantier beschrijft Zola als volgt in La bête humaine, 'case study' voor mijn zoveelste literaire wandeling in Parijs:

La famille n'était guère d'aplomb, beaucoup avaient une fêlure. Lui, à certaines heures, la sentait bien, cette fêlure héréditaire; non pas qu'il fût d'une santé mauvaise, car l'appréhension et la honte de ses crises l'avaient seules maigri autrefois; mais c'étaient, dans son être, de subites pertes d'équilibre, comme des cassures, des trous par lesquels son moi lui échappait, au milieu d'une sorte de grande fumée qui déformait tout. Il ne s'appartenait plus, il obéissait à ses muscles, à la bête enragée. Pourtant, il ne buvait pas, il se refusait même un petit verre d'eau-de-vivre, ayant remarqué que la moindre goutte d'alcool le rendait fou. Et il en venait à penser qu'il payait pour les autres, les pères, les grands-pères, qui avaient bu, les générations d'ivrognes dont il était le sang gâté, un lent empoisonnement, une sauvagerie qui le ramenait avec les loups mangeurs de femmes, au fond des bois. (Zola 1977 63-64)

Een soort van dik rookgordijn verschijnt en Jacques is zichzelf niet meer, want een veel sterker gevoel neemt alle lichamelijke functies over, een deterministische lotsbestemming waaraan niet valt te ontsnappen, als een soort van wisselwerking tussen Jekyll en Hyde. En dan kunnen de vrouwen best maar van hem weg blijven!


Emile Zola heeft veel gezichten. Naturalist, kunstkenner, wetenschapper, sociaal geëngageerde schrijver, intellectuele tegenstander van keizer Napoleon III. Zijn ongelofelijke carrière brengt me voor de zoveelste keer naar Parijs, waar ik een dag in zijn voetsporen zal ronddwalen, tot ik nog amper op de mijne kan stappen.

Ik zit in een derde van La bête humaine, dat zich nu al als een moordlustig meesterwerk manifesteert, wanneer ik de trein naar Parijs neem. Vanaf pagina 100 begint die wat op een detectiveverhaal te lijken, met een onvermoeibare Denizet die de jonge, ongeletterde, nogal wilde steendrager Cabuche, een van de hoofdverdachten van de notoire treinmoord op de heer Grandmorin, het vuur aan de schenen legt. Jacques Lantier stond langs de spoorweg en keek net op het ogenblik van de moord in de tegen 80 km/uur voorbij razende trein binnen, genoeg om de misdaad op te merken, maar vraag hem niet wie de dader is. Zijn waardeloze getuigenis helpt de onderzoeksrechter Denizet niet echt verder.
Mijn wandeling begint vlakbij de laatste rustplaats van Zola, het Pantheon, waar hij met Victor Hugo en Alexandre Dumas een grafkelder deelt. Iets verder sta ik aan de eliteschool Lycée Louis Le Grand, waar de schrijver noch populair was noch goede resultaten behaalde. De imposante koepel van het Pantheon kijkt neer op de speelplaats waar enkele jongeren basket spelen en ik me even neerzet. Aan de overkant staat het indrukwekkende universiteitsgebouw van de Sorbonne, waar de aspiring writer tevergeefs zijn diploma probeert te halen. Iets verder nog staat het huis waar hij in verpletterende armoede met zijn moeder een appartementje had, Rue Soufflot 11. De schrijver geraakt niet vooruit in het leven en is de wanhoop nabij. De beschrijvingen van de vreselijke honger in werken als Germinal zijn dus niet uit de lucht gegrepen. Emile weet wat dat verterende hongergevoel met een mens kan doen. De Rue Soufflot is trouwens de straat waar ook het Pantheon zelf staat.
Weer de Rue Saint-Jacques op, tussen lycée en université door en regelrecht naar het hart van de stad. Zijn debuut Thérèse Raquin maakt Zola op slag relatief beroemd, bemiddeld en berucht. Niet iedereen wordt graag een spiegel voorgehouden, vandaar de controverse. De mens komt niet bepaald positief over in zijn roman. Pas nu is hij echt klaar om Parijs te veroveren, en dat doet hij met het schrijven van zijn bekende romancyclus in 20 delen, die nog veel stof zal doen opwaaien.
Ik stop aan een zeer charmant en erg bekend boekwinkeltje aan de Seine. In de Shakespeare & Co werden verscheidene grote werken gepubliceerd, waaronder het geniale Ulysses van James Joyce, en dit door Sylvia Beach. Hoe geweldig is het dat mijn vriendin nog in deze winkel heeft gewerkt! Ik vraag naar Sylvia, genoemd naar haar voorgangster, maar ze is niet aanwezig. Wat een schattig antiek winkeltje, waar de geesten van zoveel voornamelijk Engelstalige auteurs en oeuvres voelbaar rondspoken. De tijd ligt op de boeken als een laagje stof en foto's en schetsen van onder meer Joyce, Hemingway, Ginsberg en Burroughs getuigen van een voortdurende aanwezigheid van het genie. Ik schrijf er enkele belachelijke korte gedichten en laat ze er achter, waarna ik deze tempel van literaire wijsheid verlaat en me naar het Île de la Cité begeef.
Op het plein aan de Notre-Dame is het Jour de la Fraternité, en er staan verschillende tentjes om de mens over armoede te onderwijzen. Er worden ook enkele acties gehouden. Ik koop een pannenkoek en vertel over de volxkeuken op de Groenplaats, een actie die dan weer niet van godsdienst uitgaat. Ik bereik de Pont Neuf en merk in de verte het Louvre, Orsay en de buildings van La Défense op. Trapjes brengen me tot het romantische square du Vert-Galant, waar zelfs de kwikstaartjes verliefd rondhuppelen, te midden van een mooi bloemenperk. Het is de staart van het Île de la Cité, waar in Zola's L'Oeuvre Christine en Claude verliefd over de Seine uitkijken. In gedachten verzonken tuur ik op de uiterste tip van het eiland, naast de eenzame treurboom, over het water, naar het Louvre en de vele bruggen. Het Louvre sla ik eens over, en ik begeef me steevast naar de rechteroever, waar ik de verhaalwereld van La ventre de Paris binnenwandel.
Het Forum des Halles is nog steeds een bouwwerf, al is er al heel wat verwezenlijkt sinds ik hier laatst was. Ik ben zeer benieuwd naar het resultaat! Ik steek het complex onderdoor via het ondergrondse winkelcentrum en probeer me het vlees-, kaas- en fruitlandschap van de forumhallen uit Zola's klassieker voor te stellen. Het lukt niet. Een sculptuur in de impressionante Eglise Saint-Eustache herinnert nog aan de fruit- en groentemarkt die er ooit was.
Van hier is het de Rue Montmartre volgen om Zola's geboortehuis te bereiken, in de Rue Saint-Joseph. Op 2 april 1840 zag de eerste intellectueel het levenslicht en het was dus deze week dat we zijn 173e verjaardag vierden. Een leuk detail is dat de schrijver-journalist tussen de drukpersen van een redactie is geboren. Zeer symbolisch dus. Journalistiek zal onrechtstreeks ook zijn dood worden. Door met J'accuse het op te nemen voor Alfred Dreyfus en zo een bom op de publieke opinie te gooien en een zeer groot deel van de Franse bevolking voorgoed tegen zich in het harnas te jagen, delfde hij mogelijk zijn eigen graf. Op de hoek met Rue du Croissant herken ik het café waar Jean Jaurès werd vermoord. Tijdens m'n avondlijke Daudet-wandeling 15 maanden geleden was ik deze plek - en dus zonder het te weten het geboortehuis van Emile Zola - al eens gepasseerd, onderweg naar een woonhuis van Daudet en het nachtleven van Montmartre.
Meer richting Place des Vosges, tussen beurs en opera, stuit ik op een schattige winkelpassage uit de tijd van Zola. Iets verder, op Place Gaillon, is er het befaamde restaurant Drouant, waar elk jaar de literaire Prix Goncourt wordt uitgereikt. Ik krijg een interessante rondleiding in dit voor de literatuur zo belangrijke restaurant. Op dit kruispunt situeert Zola ook de vrouwen uitbuitende winkel van Octave Mouret, in de populaire roman Au bonheur des dames, eveneens de ironische naam van deze fictieve winkel, die koopgrage vrouwen lokt en ze niet zonder meervoudige aankopen laat gaan.
Ik volg de drukke boulevard Haussmann en de Rue du Havre brengt me naar het Gare de Saint-Lazare, vanwaar meneer Grandmorins laatste treinrit naar Le Havre vertrekt en waar de openingspassage van La bête humaine zich afspeelt. Hier nam ik in de zomer van 2012 ook zelf de trein naar Normandië, Madame Bovary achterna. La bête humaine is een voltreffer. Het is een waarschuwing voor de technologische vooruitgang, een aanklacht van het corrupte justitiesysteem onder het Tweede Keizerrijk en een analyse van het menselijke onderbewustzijn.
Ik vervolg mijn tocht, steeds meer noordwaarts, richting Montmartre. In de Rue de Bruxelles boek ik een hotelkamer vlak tegenover het huis waar Zola aan J'accuse werkt en samen met zijn vrouw, die het wél overleefde, slachtoffer werd van de gevolgen van een verstopte schoorsteen. Nooit is men er achter gekomen of het om een ongeval dan wel kwaad opzet ging. Iets verder, in het architecturaal aantrekkelijke Villa Ballu heeft de schrijver ook nog een tijdje gewoond. In de avenue de Clichy herinnert een bordje nog aan de kunsttempel Café Guerbois, waar Zola, Manet en andere artiesten uit die tijd graag vertoefden, maar waar niets meer van overblijft. Het is niet ver meer van het kerkhof van Montmartre, waar de schrijver de eerste zes jaren van zijn dood vertoeft, waarna hij tussen de andere Groten van de Franse Republiek te rusten wordt gelegd in het Pantheon.
Een buste van de auteur kijkt me streng aan. Wat zou hij nog allemaal uit zijn pen hebben getoverd mocht hij die fatale ochtend in 1902 hebben overleefd? In de nabij gelegen Rue de la Condamine is er nog een laatste adresje waar hij heeft gewoond, waarna ik voor het eerst op deze Zola-tocht de metro neem, en wel naar de Passy-heuvel, pal tegenover het Grote IJzeren Gevaarte, de bouw waarvan Zola niets moest weten.
Het fonteinenschouwspel aan de Trocadero is weer magnifiek. Het is van op deze heuvel, in de Rue Vineuse, dat Zola over zijn geliefde stad tuurt en die in Une page d'amour op adembenemende wijze beschrijft, vol passie - no pun intended - en met een sterke impressionistische inslag. Ik keer terug naar dat bolwerk van kunst dat MontmARTre was en nog steeds probeert te zijn. Het is avond, ik heb alweer een razend drukke en boeiende dag achter de rug in deze voortdurend fascinerende wereldstad... en ik heb honger. Ik kuier door de Afrikaans getinte wijk La Goutte d'Or, midden in de wereld van de deprimerende arbeidersroman L'assomoir. Zola's diagnose van dit ongelukkige milieu is niet mals en steekt schril af tegen het geïdealiseerde beeld dat romanticus Hugo in Les Misérables opwekt. Dit is superrealisme. De pijnlijke, gitzwarte waarheid. En die stinkt. Het boek barst van de spreektaal en Zola is daarmee zijn tijd ver vooruit en een belangrijke voorloper van onder meer Louis-Ferdinand Céline. Deze donkere roman staat zeker op m'n boekenlijstje!
Ik dineer en beklim daarna de heuvel, die leidt naar het slotstuk van deze deels geïmproviseerde deels Bart Van Loo gevolgde wandeling: de door de Franse schrijver gehate Sacré-Coeur. Net als 15 maanden geleden vergaap ik me aan de imposante basiliek, een huwelijk tussen sier en bombast, en natuurlijk aan het zicht op de Lichtstad, dat nachtelijk schaakbord waarop ik me ook vandaag weer tussen torens, koningen en pionnen van de Franse cultuur heb begeven. Eén dag Parijs en weer zoveel gezien!

Half dronken van de wijn en de schoonheid verdwaal ik in de straatjes van Montmartre en daal ik stilaan de heuvel weer af. In de Bel' Ami ontmoet ik enkele Parijzenaars, die me straffe verhalen vertellen over Boris Vian. Ik heb het dan weer over Zola en Van Loo, en laat ook mijn eigen roman zien. Ze vragen of er al een Franse vertaling is. Van hier is het nog een steenworp tot de Rue de Bruxelles. Aangeschoten van m'n Grimbergen flaneer ik over de seksboulevard richting Place de Clichy. Mijn hotelkamer geeft uit op het huis waar Zola zijn laatste woorden sprak. Zo'n fascinerende man, een van de grootste als je het mij vraagt. Voorvechter van de goede zaak, met een 20e-eeuwse geest die vast zit in de 19e eeuw, die jaren vol tegenstrijdigheden die ons nu nog zo kunnen boeien. Ik lees nog enkele pagina's in La bête humaine, Emile, maar daarna ga ik slapen. En ik ga wél wakker worden morgenvroeg, want er valt nog zoveel te ontdekken in deze snel veranderende wereld, waarin men jou nog weinig leest, nog vaak citeert en waarin een geëngageerde en vooruitdenkende schrijver van jouw kaliber net zo nodig is...

Gert Vanlerberghe


Bronnen

Van Loo, Bart, 2006, Parijs Retour, Antwerpen: Meulenhoff | Manteau.
Zola, Emile, 1890, La bête humaine, Parijs: Le Livre de Poche, 1977.

Bart Van Loo blog 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen