zondag 12 juni 2016

Over leven

Enkele apocriefe teksten die ik schreef ergens tussen maart en juni 2016, en die af en toe dezelfde woordenschat delen.

D-Day voor een comeback

We zijn opgerolde slangen
in de bek van een pelikaan,
lezen elkaars lippen als
de jaarringen van bomen.
Bij onze verrijzenis horen violen,
de pompeuze beelden in het
treinstation van Milaan.
Glorieus want dubieus,
kwetsbaar dus onsterfelijk.
Blaas de loftrompet,
hou elkaars hart vast.
Een giftand in mijn teen geplant,
genageld aan de grond.
Een praatgroep voor wie
aanleg voor stigmata,
sommige mensen zijn
werkelijk té empathisch.
Ik stapel zonde op zonde
en hengel naar vergiffenis,
berokken wonde na wonde,
het is pleiten voor genezing.
Een postmodernistische ode
aan ons pogen, wij overwinnen
de houdbaarheidsdatum van
alle ismen, bevredigen alle niches.
Wij volharden, en rollen rotsen
naar de top, die we misschien wel
nooit bereiken, maar wie zei er
dat de weg ernaartoe slechts
een middel voor een doel;

ik bedoel: Onderweg zijn
heeft ook zo zijn charmes.

En als we falen, dan falen we
samen. 


Uit het oog. Uit het raam. Uit het leven.

brood en arend
zonder vleugels
zonder elastiek
uit het raam
geen bloeiende natie
zonder defenestratie
geen homo's van
torens gegooid
maar vrijwillig
de zwaartekracht
tarten: Ikaros
het leven omarmen
met vleugels van was
de logica aan flarden
tot stof keert gij
terug op de grond
puzzel zangers
en dichters en
onheilsprofeten
beneden dan
weer aan elkaar
hun artistieke bloed
kruipt zich een aftocht
door irrigatiekanalen
en irritatieverhalen
weg weg weg weg
alles wordt wolk
en zure regen
het leven weegt
zwaar op de oogleden
verspreekt zich
keer op keer
we zijn melancholisch
van aard maar sommigen
van ons overleven.


Grote kuis

Er heerst hygiëne in je hoofd,
maar niet in het mijne.
Daar kruipen muizen
in spelonken weg en
knagen aan mijn brein.
Muizenissen zeg je,
ik zeg lach maar,
straks zal je anders
piepen. En dat deed je.
Stofvlokken en spinnewebben,
gebroken gedachten en
ideeën die ik ergens verkeerd
heb gelegd, vraag me niet waar.
Het is een puinhoop,
er dient dringend gekuist.
Ziektes liggen op de loer,
teren op onontwarbare chaos.
Mijn hoofd een stolp,
een biotoop voor epidemies.
Ontvlooi, ontluis, ontsmet
mijn kruin, mijn schedel.
Mest mij uit en ruim mij op,
stofzuig, poets en dweil,
tot ik opgeruimd staat netjes,
tot ik bijna zo goed als nieuw.
Het is er proper, in mijn hoofd.
Je kan er van de grond eten.
Net als bij jou.


Sloophamer

Tempel van beton maar zonder kleren
de muren vallen
traag, haast een omhelzing
en kniel
verniel
sloop ook de hamer
hier blijven zelfs de barsten niet heel
zuig alle restjes op
vervang ze door kabaal
bedenk een mihrab, verzin
een altaar van lawaai
we trekken hoop op uit het puin
want alleen uit leegte
kan ontstaan
wat nooit had mogen
stikken, verwelken
de complete heropbouw van
                                 een totale verrijzenis van
                                                             de langverwachte wedergeboorte van
we hengelen naar waarheid
zonder aas
zonder hengel
tot structuur ons als muren dreigt te
verdelen, vierendelen
ons in de luren
tussen vier vuren
en we ons branden
aan een haard
van mogelijkheden

hier
zou
vrijheid

hier
hadden
wij
plaats
kunnen
vinden

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen