maandag 21 juli 2014

Fragmenten van Literaire Levens

Fragmenten van Literaire Levens
Gecomponeerd door Bart Van Loo
Heropgevoerd door Gert Vanlerberghe

Toen Bart Van Loo, 's lands geliefde Frankrijkkenner, in 2007 zijn boek Parijs Retour kwam voorstellen voor een aula vol studenten toegepaste taalkunde Frans en hun al even enthousiaste docent Franse cultuur, op het HIVT in Antwerpen, wist ik dat ik deel wou uitmaken van dit bijzondere boek. Ik wou de schrijvers lezen en de literaire plekjes afschuimen. Bart vertelde dat zijn boek ondertussen ook effectief als reisgids werd gebruikt en dat enkele van zijn lezers hem al in zijn voetsporen waren gevolgd. Ik wou een van hen zijn. Ondertussen, zeven jaar later, heb ik het halve boek op mijn manier beleefd, zo af en toe op een sporadische reis naar Frankrijk. Er is nog veel te zien, maar geef me pakweg nog zeven jaar. Voor een handig overzicht van mijn Pa-reisjes van de eerste paar jaar, klik hier. Lees zeker ook 'Zola in Parijs' en 'Dumas in Parijs', of waarom niet 'Stendhal in Grenoble', nu we toch bezig zijn (vijf laatste alinea's)? Maar vooral, lees Parijs Retour zelf, dat is immers het origineel en dat is hoe deze ondertussen relatief beroemde schrijver en chansonkenner al deze boeken en plaatsen voor het eerst heeft ervaren.
Het is alweer bijna een jaar geleden maar ik zoek weer eens la douce France op met zijn boek onder de arm. Treinen brengen me naar het hart van de Loirestreek: het charmante Tours - "une des villes les moins littéraires de France" - geboortestad van ene Honoré de Balzac. Jaren geleden heb ik hier eens twee nachten doorgebracht, op kastelenjacht met mijn vader. Vandaag wordt het een literaire strooptocht.
De wandeling die in Parijs Retour wordt beschreven begint niet ver van het station en van de rue de Balzac: op het pronkerige place Jean Jaurès, waar een keurig wit justitiepaleis en een typisch Frans stadhuis het zicht domineren. Voor de bouw van het stadhuis stond er het hôtel Papion, waar Balzac de beruchte 'halspassage' van Le Lys dans la vallée situeert, waarin Felix passioneel de hals van Henriette de Mortsauf met hartstochtelijke kussen overlaadt. In een parkje vlakbij de kathedraal staat een monument dat onze literaire Tourangeau herdenkt, met enkele van zijn meest bekende citaten versierd. Zo wil hij als een artistieke Orpheus afdalen in de onderwereld van de kunst, om die zo te reanimeren. Je stapt hier de wereld van Birotteau binnen, die in Le Curé de Tours zich tijdens een wolkbreuk naar huis haast, rond de kathedraal heen, onder de massieve steunboog wiens stenen klauw het huisje waarnaar ik op zoek ben, lijkt aan te wijzen, of zelfs te doorklieven. Iets verderop op de binnenplaats van het bisschoppelijk paleis spreidt een gigantische Libanese ceder zijn gigantische armen, een complex kluwen van duizenden vertakkingen die Bart Van Loo niet ten onrechte vergelijkt met zijn woekerwerk La Comédie humaine.
Ik passeer het kasteel en steek de brede maar ondiepe Loire over, een feest voor zilverreigers en sterns, maar ook enkele Tourangeaux wagen zich aan een zwempartijtje. Aan de overkant wandel ik van de vieux Pont tot de pont Wilson, een monumentale brug die recht naar de rue Nationale leidt, die de stad in tweeën splijt. Hier stond tot de Tweede Wereldoorlog het geboortehuis van Balzac, dat helaas, samen met de rest van de oorspronkelijke straat, aan een hevig bombardement ten onder is gegaan. Verder zijn zeker de basiliek, met losstaande toren, en het historische centrum nog een bezoekje waard. Zo heb je de place Plumereau met haar 15e-eeuwse huisjes en mosselrestaurants. Een paardenkoets geeft het pittoreske geheel tijdelijk een geurtje. Een oude man begeleidt een geit aan een koord en schudt goedlachs de hand van de koetsier. Dit alles in een zee van toeristen. Alvorens ik weer de Loire oversteek, spot ik nog het pension Vauquer in de rue des Cerisiers, waar Balzacs zussen nog even verbleven, dan zoek ik de pont Napoléon, die me tot in Saint-Cyr-sur-Loire voert.
Ik klim de heuvel op tot aan de manege La Grenardière en volg het weggetje tot aan het verlaten huis waar een jonge Balzac en de veel oudere Laure de Berny in de zomer van 1830 woonden, en hun dagen vulden met zon en met elkaar. De tuin op het terras van dit schitterende buitenverblijf is een ware jungle geworden. Het zicht over de Loire is de moeite, al moet je er voor 200 jaar geleden de appartementsblokken aftrekken en er een hele hoop grote boten bijtellen. De toen veel diepere Loire was in die tijd de meest bevaren rivier van Frankrijk! Nu zie je hier slechts nog kleine bootjes die zachtjes op de deining dobberen. Ik keer tevreden terug naar Tours, waar een pot mosselen, een sympathieke Franse bende en het bier, de wijn en de Ricard uit de vele bars op me wachten. Ik slaap bij een jong en avontuurlijk koppel op de place du Grand Marché, tegenover 'le Monstre', en dat is pal in het midden van de uitgelaten uitgaansbuurt van Tours. En dat hoor je. Maar dat hoort erbij.

De dag nadien trek ik verder zuidwaarts, een nieuwe schrijver uit Parijs Retour tegemoet, naar het geografische centrum van Frankrijk, een uitgestrekt, nagenoeg onbekend gebied dat de Berry wordt genoemd, en waar Aurore Dupin, beter bekend als George Sand, haar hart heeft verloren en de inspiratie voor haar verhalen uit de grond heeft gezogen, weg van het grootschalige toerisme, het Franse platteland pur sang en vergaarbak van menige boerengaten, al zal ik, zonder auto, nooit tot erg diep in dit groene niemandsland kunnen doordringen. Van de uitvoerige George Sand tocht die Bart Van Loo maakte, zal ik net als bij Balzac in de Touraine (waarbij ik wel Saumur heb bezocht maar niet Saché... helaas) enkele hartverscheurende praktische en tijdsgebonden keuzes moeten maken. Ik moet het zelfs bij hoofdstad Bourges houden en krijg George Sand dus 'amper te zien'. Eerst kuier ik door een grote, op maat gesneden tuin, waarvan de wellustige symmetrie en kleurrijke pracht je doen blozen. In het historische centrum verhinderen enkel de auto's een tijdreis naar de periode van Louis XI en Charles VII. De straatjes en vakmanshuizen ademen heel wat eeuwen uit. 
Pronkstuk is de machtige Saint-Etienne kathedraal, die me helemaal opslorpt in de gotische sereniteit van de schitterende glas-in-loodramen en de barokke bombast die uit het orgel schelt. Moeilijk om een ongelovige hond te blijven bij het aanzien van deze adembenemende tempel, zo stelde Balzac. Ik geniet met volle teugen van dit zeer charmante stadje. Zo is er het palais Jacques Coeur, gebouwd door een rijke bankier, die door zijn vele schuldeisers werd gevangengenomen toen bleek dat hij hen niet kon terugbetalen. Het is een knap staaltje van gespierde gotische architectuur. Tijdens een wandeling in Le Marais, een geslaagde aaneenschakeling van tuintjes, beekjes en vijvers, ontspringt er een wolkbreuk aan de oververhitte middaghemel en zet ik het op een lopen richting station. Het plan was om Bourges te bezoeken en toevallig ligt dat in de Berry, waar een van Bart Van Loo's hoofdstukken is aan gewijd, wat ik pas die ochtend zelf in het station van Tours merkte bij het doorbladeren van zijn boek. George Sand hield van deze stad maar was pas echt verknocht aan de boerenbuiten, en de stadjes als Nohant, Gargilesse... Het zal voor een andere keer zijn. Of niet. Wel vind ik haar geboorteplaats. Dat was in de rue Meslay 15... in Parijs! Maar net als bij Balzac bestaat dat huis niet meer.
Enkele uren later ben ik dus terug in Parijs en maak ik een lange stadswandeling van het station Austerlitz naar Montmartre. Van op de trappen aan de basiliek zie ik hoe een donderwolk over de stad schuift, aangemoedigd door luid gerommel. Deze ooit pittoreske plek lijkt nu wel 'in de handen van Heineken'. Elke drie minuten stoort een straatverkoper me met de vraag of ik bier wil kopen. Wat zou Aznavour daarvan zeggen? Ik slaap net als anderhalf jaar geleden in het hotel tegenover het huis waar Zola de pijp aan Maarten gaf. De volgende morgen maak ik een boulevardtocht in de andere richting, van place de Clichy naar de quai Maraquais, tegenover het Louvre, aan de andere kant van de Seine. Op nummer 9 ligt het gebouw waar George Sand en haar minnaar Alfred de Musset heel wat quality time doorbrengen, al was de verhouding met deze mondaine dichter, deze casanova en dandy eerste klasse gedoemd om te mislukken. Na het einde van de verhouding namen ze elkaar goed te grazen in hun teksten. Zo gaat dat blijkbaar wanneer relaties tussen schrijvers ophouden te bestaan. Dit was natuurlijk tot groot vermaak van de Parijse beau monde.
Ik neem de metro naar La Défense en kuier over de heerlijke esplanade boordevol interessante en vreemdsoortige artistieke structuren, waarvan La Grande Arche natuurlijk de kers op de burleske taart is. Ik neem er de bus naar Bougival, ten westen van Parijs, Guy de Maupassants geliefde plekje aan het water. Kanovaren was er een van de favoriete activiteiten van deze jonge schrijver en levensgenieter, die af en toe dringend wenste te ontsnappen aan de saaie rompslomp van zijn job bij het ministerie. Ook operaschrijver Bizet en de Russische romancier Ivan Toergenjev, geestelijke vader van Jevgeni Bazarov en eigenlijk ook van het nihilisme (getuige zijn beklijvende roman Vaders en Zonen) hadden hun stekje in deze streek. Ik stap uit in Bougival en steek de Seine half over, naar het eiland in het midden van de rivier. In de verte ligt het Château de Monte-Cristo. Het is bijna een jaar geleden dat deze literaire soap me vergezelde naar Perugia en Parijs. Dumas' kasteel zal voor een andere keer zijn en ik volg het jaagpad langs het golfterrein waar in de 19e eeuw het mondaine oord La Grenouillère heel wat kunstenaars, schilders, schrijvers, kanovaarders aantrok als vliegen. De jonge Maupassant leeft hier een leven van absint, opium en hoeren, en zet hier zijn eerste literaire stapjes. Zoals Bougigal en Chatou vereeuwigd worden in schilderijen van onder meer Renoir en Monet, zo ook giet Maupassant ze in zijn kortverhalen. Het is hier, op deze door impressionisten aanbeden plek, dat Maupassant de onzichtbare sluipmoordenaar syfilis moet hebben opgelopen, die hem uiteindelijk krankzinnig zou maken.
Ik ben hier alleen, op de toevallige jogger of visser na. Het zomerhabijt van de bomen laat het zicht op de Seinearm slechts in pointillistische proporties toe. Ik steek de brug over naar Chatou en ga door tot aan de kapel en het kasteel van Croissy-sur-Seine, waar ik op een bankje geniet van de ontspannen kalmte van de rivier. Een bordje met een schilderij van Renoir erop afgebeeld moet de lang vervlogen drukte en waanzin van de impressionistische hoogdagen vol seks, drank en drugs weer tot leven roepen. Al beeld ik me er misschien iets te veel bij in.
Rechtsomkeert naar Chatou. Aan de kerk steek ik de brug over naar het bekende Île des impressionistes. Het schilderachtige Maison Fournaie dat je er vindt, is het decor voor Auguste Renoirs wereldberoemde schilderij 'Déjeuner des canotiers'. De gevel is met muurschilderingen versierd en één ervan is, naar men zegt, van de hand van Maupassant. Op de muur in de hal van het impressionistisch aangeklede restaurant lees ik een gedicht dat de schrijver er met houtskool op heeft geschreven, waarin hij waarschuwt voor de gevaren van deze plek: bijtende honden, de wijn en haar onafwendbare katers, en de verleidelijke vrouwen die je hier tegen het lijf loopt. De datum onder het gedicht is 'le 2 juillet 1885'.
Terug in Parijs laat ik de Tuileries me voor de zoveelste keer bekoren. Op de quai d'Orsay schuim ik de boekstalletjes af en koop ik een Queneau en een Balzac - Le Curé de Tours, of wat dacht je? En zo is de cirkel rond.
"Au commencement de l'automne de l'année 1826, l'abbé Birotteau..."

Bronnen

Balzac, Honoré de, 1840, Pierrette - Le Curé de Tours, Parijs: Editions Albin Mitchel, 1960.
Van Loo, Bart, 2006, Parijs Retour, Antwerpen: Meulenhoff | Manteau.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen