maandag 10 maart 2014

Zweefgetouw

Want in de aankomende talentenjacht weeft zelfs de zwevende kiezer z'n eigen kleverige web.

Ik ben ziek in alle bedden,
Kom me redden,
Maar ik hou m’n mond niet,
’t Is te zeggen.
Ik zwijg in talen
Die geen ander kan begrijpen
En laat de kritiek in mijn
Web van woorden rijpen.
Ik leef,
Ik beef.
Een dag niet gestreefd
Naar het schikken van de kosmos,
Is een dag niet gescheefd.
Weef mijn wereld in een andere kleur
Dan die van zonnen en planeten,
Als je eenieder die zich anders uit
Het daglicht niet wil gunnen.
Steek die Natie waar geen ster nog schijnt;
Wij zijn geen trollen die stinken
In enge grotten en teren op eigen sappen,
Eigen smerigheid eerst.
Wij zijn als pasgeboren baby’s,
Klaar voor een wereld die
We gedoemd nooit te begrijpen,
Als een vrucht die nog moet rijpen,
Een onbeschreven blad,
Een ongeopend vat
Dat boordevol met kansen
Die niemand durft te grijpen,
Een grote achtertuin die pas leeft
Als besproeid met onverdeelde stralen zon,
Niet met ’t gif van propaganda,
Spraakwater dat smaakt naar beton.
Wij staan niet klaar met een meter
Of een machine die geld schijt,
Steeds bereid om vreugde te verteren,
Industrieel te vermalen tot steriel stof,
Om er een prijskaartje aan te hangen:
Wie niet bijdraagt, is een dief.
En in dat uitgerekte gaatje,
Is daar nog plaats voor al je bommen
En raketten en kwade tongen,
Daar waar geen licht kan.
Het viseren van een wereld waar slechts vrede,
Is als ’t weven van Penelopes kleedje,
Iets wat tjeven steeds beleven
In hun streven naar meer macht;
Het doet de beer dansen
En de boer meer stront scheppen,
Maar wij zijn er niet voor in de wieg gelegd,
Want met de troost die zij ons bieden
Blijft niets hoger dan de nood
En de helers die we kiezen
Wiegen alle kindjes dood.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen