dinsdag 20 december 2011

Occupy Antwerp op de gemeenteraad

Sinds de preventieve en dus onwetmatige arrestaties van leden van de beweging Occupy Antwerp twee weken geleden, groeit mijn sympathie alleen nog maar voor deze mensen, maar zo ook groeit mijn afkeer van het beleid van Patrick Janssens. Leugens verzinnen over de gezondheid van bomen met als enige reden ze om te hakken, het tegenwerken van goedbedoelde acties om daklozen onderdak te geven, een politiekorps op een vredevolle volksvergadering afsturen en die mensen door een vijftigtal politieagenten laten omsingelen om ze daarna urenlang vast te houden... Echt sociaal en ethisch kan je deze maatregelen niet noemen.

Daarom besloot ik om vorige zaterdag, 17 december, naar een van de vergaderingen van Occupy Antwerp te trekken, om eens horen hoe dicht hun ideologie bij de mijne ligt. Dicht, zo bleek. Hoe kan het ook anders? Elke rationele, bewuste mens moet toch stilaan aan het wakker worden zijn en beseffen dat, als we op deze manier verder gaan, we langzaam maar zeker in een politiestaat zullen veranderen. In de V.S. is vorige week goedgekeurd dat elke burger zonder proces kan worden aangehouden. Dit is alarmerend en zou wel eens naar hier kunnen overwaaien. Die kans zit er dik in, want de afgelopen jaren zijn de regeringen in Europa bijzonder scherp naar rechts, of zelfs extreem-rechts, uitgeslagen, en worden mensenrechten geschonden alsof het niets is. Het ergste hiervan is dat we ons hier amper van bewust zijn. Wel... 'we'... Ik reken mezelf daar liever niet bij. Maar erover praten en erover klagen haalt weinig uit. Je moet laten zién dat je hier niet mee akkoord gaat. Vandaar mijn beslissing om eens te gaan polsen op zo'n volksvergadering in Mortsel.

Die volksvergadering is heel vredevol verlopen, uiteraard. Hoewel Occupy Antwerp soms anders wordt afgeschilderd, is de essentie van deze beweging - als het al een beweging is - om in vrede te praten over wat er moet veranderen. Burgemeester Ingrid Pira kwam ons vragen wat de bedoeling was en, nadat haar werd uitgelegd dat we de boel niet op stelten wilden zetten, verzekerde ze ons ook dat we van de politie geen last zouden hebben. Hier zouden bepaalde andere burgemeesters nog heel wat van kunnen opsteken!

Op maandag 19 december trokken tientallen misnoegde burgers naar het stadhuis om de gemeenteraad bij te wonen, en ook gewoon, louter door onze aanwezigheid, om te tonen dat we niet akkoord gingen met wat er zich de afgelopen weken heeft afgespeeld door het toedoen van burgemeester Janssens en zijn politiekorps. In het begin van de vergadering waarschuwde de voorzitter dat wie zich niet aan de afspraken houdt en wie de zitting verstoort, zal worden gearresteerd. Tijdens een vorige gemeenteraad werden al eens een vijftal mensen gearresteerd, maar dat was zonder waarschuwing, iets waar senator Freya Piryns als enige aanwezige zichtbaar niet mee akkoord ging. Maar bij deze waren we nu dus wel gewaarschuwd.

Pas helemaal aan het einde van de avond zouden we aan het woord komen, hoewel dat, technisch gezien, uiteindelijk helemaal niet is gebeurd. Na ellenlange en vaak komische discussies tussen vooral Patrick Janssens en Filip De Winter over de opvolging van Monica De Coninck en andere zaken die blijkbaar belangrijker en interessanter zijn dan de vraag of er nog democratie bestaat in Antwerpen, besloten enkele aanwezigen om de vergadering dan toch te verstoren. Nu... verstoren is op zich een groot woord. Hangt ervan af hoe tolerant je bent en hoeveel aandacht je aan iets schenkt, maar - en ik kan me vergissen - het omhoog houden van een kartonnen bordje en het gooien met vals geld tijdens een belangrijke vergadering lijkt me nu niet echt een reden om die vergadering enkele minuten te schorsen en de politie, die al gretig op actie stond te wachten, in te schakelen. Is de heer Janssens zo snel op zijn paard te krijgen dat hij de voortgang van een vergadering over het bestuur van Antwerpen laat afhangen van 'indignados' die een bordje omhoog houden?

Ja dus. Enkele politieagenten in burger verzochten de actievoerders - het waren er twee of zo - eerst om het bordje weg te halen en daarna om mee naar buiten te gaan. Al heel snel begonnen ze die mensen aan te raken, mee te trekken, en al wie iets te opvallend hun ongenoegen over deze werkwijze uitte, mocht ook mee. Zo werd iemand hardhandig de deur uitgeduwd. Ik geloof dat er zelfs mensen werden gearresteerd die gewoon NAAST de 'actievoerders' stonden. Vervolgens benaderden twee stoere undercover agenten een vrouw die op een stoeltje gezeten ijverig notities maakte. Ja, ze had een kartonnen bordje bij, opgevouwen en 'niet in gebruik'. Toen een van de agenten ernaar wees en zei dat ze die wellicht nog ging gebruiken, antwoordde de vrouw dat ze dat enkel buiten wou gebruiken. Ook zij werd meegenomen. Alweer een preventieve arrestatie? Of werd ze opgepakt voor het nemen van notities? Het verbod op schrijven, da's een goeie. Achteraf bleek dat ze enkele minuten later alweer werd vrijgelaten en enkel werd geïdentificeerd.

De vergadering was verstoord en de meeste politici waren hier niet tevreden mee. Nochtans is er van de kant van de gearresteerde mensen bijzonder weinig gebeurd. Er werd een bordje omhoog gehouden en, toen de politie als een olifant in een porceleinwinkel te keer ging, werd hier verontwaardigd op gereageerd. Uiteindelijk kies je toch zelf in hoeverre je aandacht besteedt aan dergelijke 'acties'? Maar aangezien Patrick Janssens tijdens de vergadering meerdere keren heeft gesuggereerd dat Occupy Antwerp erop uit is om gearresteerd te worden - wat natuurlijk niet het geval is - ben ik ook niet verbaasd dat dit voor hem de ultieme kans was om deze mensen te laten arresteren en naar de buitenwereld aan te tonen dat hij genoeg geduld heeft gehad en dat dit niet meer dan terecht was.

Op het einde van de vergadering brak de groene politica Freya Piryns nog een lans voor ons. Ze herinnerde de burgemeester nog eens aan de onwetmatige arrestaties van vorige week en vroeg hem om een verklaring. Hierop begon Patrick Janssens zijn opmerkelijk betoog dat zowel een mislukt charmeoffensief als een verdoken veroordeling van de Occupy-beweging was. Hij zei dat hij verschillende keren de volksvergaderingen - die nooit worden aangevraagd, wat wettelijk verplicht is - had gedoogd, maar dat er aanwijzingen genoeg waren dat er vorige week een actie in het Centraal Station was gepland, iets wat hij nochtans niet kan bewijzen en wat naar alle waarschijnlijkheid ook kan geklasseerd worden als de zoveelste leugen. Ook hamerde hij erop dat de agenten die de 19 Occupy'ers hadden omsingeld, zich kenbaar hadden gemaakt door politiebandjes om de arm te dragen, maar ook hier was volgens ooggetuigen niets van waar. Hij bleef maar doorgaan over het feit dat je, als je wil betogen in het publieke domein, je dat moet aanvragen, en stelde de retorische vraag waarom hij die bewuste nalatigheid wel zou dulden van Occupy Antwerp en niet van alle andere bewegingen en groeperingen die willen betogen. Hierdoor bleef hij dus doorbomen over een detail - een wet waar wij net tegen zijn, that's the whole point! - waardoor hij het feit dat vorige week 19 mensen zonder reden en dus volkomen illegaal, want preventief, zijn gearresteerd, mooi kon omzeilen. Ook nadat Freya Piryns, die gelukkig wél bij de les bleef en zich niet met een kluitje in het riet liet sturen, hem hierop wees, gaf de burgemeester hier geen verklaring voor. Het enige dat hij suggereerde, was dat dit buiten zijn wil was gebeurd en dat hem dat speet. Maar hij was voorzichtig genoeg om de schuld ook weer niet al te expliciet op het politiekorps af te schuiven. Voor hem leek de kous af te zijn, maar ik neem hier geen genoegen mee. Buiten het omzeilen van de kernvraag en het verheerlijken van zijn eigen beleid, was zijn antwoord op Piryns' prangende vraag niets waard...
Na de vergadering vroegen we de politie wanneer de gearresteerden vrij zouden komen. Deze verzekerde ons dat ze op het Astridplein zouden zijn afgezet en dat ze zelfs al onderweg waren. Hier waren ze heel duidelijk in. Toen wij een halfuur later gingen kijken, was er niemand te bespeuren en, na een telefoontje, bleken ze zelfs nog op het politiebureau in de Luchtbal te zitten. Tot zover dus het woord van de politie. De gearresteerden waren dus vrijgelaten maar nog steeds op het politiekantoor? Dat is weer typisch België.
Het vervolg van het verhaal ken ik niet, maar het blijft belangrijk om oren en ogen open te houden en te beseffen dat in Antwerpen mensen zonder reden kunnen worden opgesloten, al is het 'maar' voor vier of twaalf uur. En, aan het einde van de rit, is er nu iets veranderd? Heeft Patrick Janssens nu eens nagedacht over hoe ondemocratisch hij zijn zaakjes regelt, of heeft hij iets opgestoken van ons misnoegen? Niets natuurlijk. Hoewel hij wil overkomen als iemand die onze motieven kan begrijpen, heeft hij het natuurlijk niet zover laten komen om de kern van de zaak te bespreken: Hoe kunnen we van Antwerpen weer een democratische, leefbare stad maken, hoe kunnen we ervoor zorgen dat de burger weer meer inspraak heeft, op welke manier werkt het huidige bestuur de bewoners van Antwerpen tegen en hoe kan dit verbeteren? Nee. Occupy Antwerp werd met de vinger gewezen en veroordeeld. Het is nu aan de burger om uit te maken wie zijn of haar sympathie verdiend, een vredevolle beweging die door middel van volksvergaderingen en acties tegen armoede van Antwerpen een betere stad wil maken, of de burgemeester die dit met alle macht wil tegenwerken en hiervoor desnoods enkele mensenrechten wil schenden - zolang hij maar heel zijn leven burgemeester kan blijven zeker?
Update 20/12: De zes gearresteerden zijn na drie uur weer vrijgelaten.

Lees ook: http://gertvanlerberghe.blogspot.com/2011/12/voor-afkeer.html

In dit interview is het duidelijk dat Occupy Antwerp door Patrick Janssens geviseerd wordt en op een andere manier wordt behandeld dan andere dissidenten: http://fotogordon.wordpress.com/2011/12/20/occupy-op-de-gemeenteraad-van-babel/

Verslag van Koen Calliauw, één van de gearresteerden, gewoon omdat hij zijn verontwaardiging uitte over het optreden van de politie:
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/12/21/occupy-antwerp-legt-gemeenteraad-plat

zondag 18 december 2011

Nieuwe singles

Alweer een nieuwe lijst van opvallende singles van de afgelopen weken. En vijf videoclips uiteraard.


Hank III - Gutter Town
Coldplay - Charlie Brown
Customs - Toupee
Cerebral Ballzy - Junky For Her
Rammstein - Mein Land
Silversun Pickups - Seasick
St. Vincent - Cruel
Mastodon - Curl of the Burl
The Big Pink - Stay Gold
Long Arm - When Children Sleep
Dallas - Adieu
Smith & Burrows - When the Thames Froze
Spinvis - Oostende
The Me In You - Girl In Armour
The Horrors - I Can See Through You
Apparat - Song of Los
Agent Fresco - Implosions
Veronica Falls - Bad Feeling
Zola Jesus - Vessel

woensdag 14 december 2011

Béatrice

BEATRICE


uno
Mantua was de moeite. Bologna ook. Mooie, grote steden van weleer. Nooit was vergane glorie zo statig en verheven als deze twee toeristische trekpleisters in het noordoosten van Italië. Het was een mooie dag. Béatrice en Jonathan zaten een halfuur lang op de oever van het Grote Meer, terwijl de zon haar dagelijkse duik in het water nam. In het rood en het geel en het oranje van de lucht, het water en de beloftevolle horizon drukten ze een lange, warme kus op de lippen.
Nu zitten ze op de trein naar Parma, waar ze met een oude vriend van Béatrice hebben afgesproken. Daar zullen ze de nacht doorbrengen, en morgen zullen ze verder reizen naar Venetië, of Vicenza, of Verona, of waarheen de weg hen ook zal leiden.
Arm in arm bekijken ze de foto’s die ze die dag hebben genomen. Ze waren iets te lang aan het meer blijven zitten en zouden later dan verwacht in Parma aankomen. Maar dat zal Andreas niet zo erg vinden. Hij reist zelf vaak en zal ook wel weten dat je vooral niet te veel op voorhand mag plannen, want vaak komt daar toch niet veel van in huis. Ja, ze hadden om negen aan zijn appartement afgesproken, maar nu is het al flink over tien, en het zal nog zeker een goeie twintig minuten duren eer ze het station van Parma binnenrijden.
Béatrice leerde Andreas een jaar geleden in Dublin kennen, waar ze allebei een halfjaar voor Erasmus verbleven. Dat was een lange en moeilijke periode voor Jonathan, die toen al werkte en in België achterbleef, maar natuurlijk kon hij minstens twee keer op bezoek komen. Eén keer hadden ze tot in de puntjes gepland, en Jonathan kreeg vrijaf van zijn werk om vijf dagen in Ierland te spenderen, bij zijn lieve schat. Dat waren vijf heel gelukkige dagen. Ze hadden elkaar al anderhalve maand niet gezien, en hoewel ze die week geen elke keer konden vrijen – omdat Béatrice haar kot moest delen met Andreas en met Barbara, een Duitse studente rechten, en haar beide kotgenoten die week elke avond op kot sliepen – hadden ze toch een onvergetelijke tijd. Natuurlijk had Jonathan na al die weken op z’n minst elke nacht stomende seks verwacht, maar niets aan te doen, het kwam gewoon niet zo uit, en omdat hij wist dat Béatrice het zeer oppervlakkig van hem zou vinden mocht hij hierover klagen, en dat ze vond dat, als ze de volle zes maanden geen seks zouden hebben, hij dat gewoon moest aanvaarden, hield hij wijselijk zijn mond. Maar de frustratie was duidelijk onderhuids aanwezig. En de jaloezie ook. Hoewel Béatrice dolgelukkig was toen ze Jonathan eindelijk terugzag en niet van zijn lijf kon blijven, kon hij er toch niet tegen wanneer de knappe, gespierde Andreas haar aanraakte, haar speels rond haar middel nam, haar voortdurend complimentjes gaf, alsof Jonathan er niet eens was.
Toen hij weer in België was, kon hij de eerste nachten niet slapen, omdat hij de beelden van Andreas en zijn lieve Béatrice, wier bedden belachelijk dicht bij elkaar stonden, niet uit zijn hoofd kon zetten. Elke nacht sliep zij in een dun nachtkleedje, terwijl hij er de gewoonte op nahield om spiernaakt naar Dromenland te reizen. Van die details die hij liever niet van haar had vernomen.
De twee weken die volgden, werd Jonathan door jaloezie verteerd, en liet hij in het restaurant waar hij werkte zelfs drie borden op de grond vallen, iets waar vooral zijn baas niet echt mee kon lachen.
Twee maanden na zijn eerste bezoek besloot hij Béatrice te verrassen. Wat zal ze blij zijn, dacht hij, maar hij wist ook dat hij zichzelf wou geruststellen dat er niets aan de hand was tussen de Italiaanse Adonis en zijn mooie Imoinda. Op de bus naar Béatrices kot kwam hij een ietwat verbouwereerde Barbara tegen, die hem voorstelde om mee naar St. Stephen’s Green te gaan, waar ze samen met enkele Dubliners wat muziek gingen spelen. Jonathan lachte haar uitnodiging vriendelijk en wat verrast weg en stapte aan de juiste halte af.
Toen hij aanbelde, deed niemand open, hoewel Barbara had gezegd dat er zeker iemand thuis zou zijn. Gelukkig had ze hem met tegenzin de huissleutel en de kotsleutel gegeven. Al op de trap voelde Jonathan dat er iets niet klopte, maar pas wanneer hij de sleutel in het slot omdraaide en de deur opende, besefte hij ten volle dat zijn vrij kinderachtige jaloezie van de laatste maanden zeker niet ten volle ongegrond was geweest.
Op de grond stond een gebruinde, viriele jongeman gebogen over de naakte rug van een slanke zwarte vrouw, zijn arm ruw rond haar middel geslagen, terwijl hij met forse, snelle stoten haar grote, hangende borsten deed trillen als gelei op een lepeltje. Hoe sterk Andreas ook gebruind was, het contrast tussen de twee huidskleuren viel meteen op, en een halve seconde lang vroeg Jonathan zich af of dat contrast bij hen dan niet nog veel groter was. Een gedachte die hij snel wegwuifde als irrelevant en irrationeel. De kreten van genot die ze slaakte, waren als welgemikte pijlen in zijn hart. Ondanks de bijna ziekelijke jaloezie die hij de afgelopen weken had gevoeld, had hij nooit gedacht dat ze dit echt zou doen.
En toen ging het heel snel. Andreas liet Béatrice van schrik op de grond vallen, en Jonathan zag van iets te dichtbij hoe zijn enorme geslachtsdeel uit dat van zijn vriendin tevoorschijn kwam en onbewust enkele van oorsprong onbestemde druppeltjes in de richting van de bedrogen vriend katapulteerde. Béatrice slaakte een gil en wilde Jonathan alles uitleggen, terwijl Andreas voortdurend ‘sorry’ prevelde. Wit van woede haalde Jonathan naar Andreas uit, miste en moest zelf een vuistslag in ontvangst nemen, die maar al te raak was. Béatrice schreeuwde dat Andreas moest ophouden, zijn kleren moest nemen en verdwijnen. Deze deed wat ze hem vroeg, aangezien hij maar al te goed begreep dat dit geen moment was om te protesteren dat hij hier ook woonde.
Pas na een vol kwartier kon Béatrice de razende Jonathan bedaren. Ze probeerde zich te verontschuldigen, hem te sussen, hem ervan te verzekeren dat het enkel voor de lust was, dat ze net zoals hij te lang zonder lichamelijk contact had geleefd, dat er geen gevoelens bij kwamen kijken, dat ze hem nog steeds ontzettend graag zag, dat ze zich heel stom voelde en dat ze had gehoopt dat hij er nooit was achtergekomen, dat dit onvergeeflijk was maar dat ze er alles voor zou geven om hem niet te verliezen, om hem nooit te verliezen.
Maar ze moest eerlijk zijn. Ze moest hem vertellen dat ze het niet slechts die ene keer hadden gedaan, maar vijf keer in totaal. Maar dat kon ze niet. Dat zou te veel informatie zijn geweest om in één keer in te nemen. Dus vertelde ze het hem niet.
Pas drie maanden later, toen ze enkele weken weer in België was, kon ze het opbrengen om hem alles te zeggen. Opnieuw volgde er een soortgelijke ruzie, maar weer legden ze het bij, ook nu kon hij haar vergeven. Waarom zou hij het haar die tweede keer niet hebben vergeven? Sinds hij hen had betrapt, was ze hem altijd trouw gebleven, dat wist hij zeker. Wat ze vertelde, was van voor die schaamtelijke namiddag. Haar vijfde en laatste avontuurtje met Andreas, de Italiaanse zonnebankbruine stier.
Hij zag haar te graag. Zo eenvoudig was het. Zelfs nadat hij hen op heterdaad had betrapt, wou hij haar niet verliezen. Het werd een nog moeilijkere periode voor hem, en ook voor Béatrice, die zelfs voorstelde om vroegtijdig naar België te komen en haar studies in Dublin stop te zetten, hoewel Jonathan daar niets van wilde weten. Hij moest haar vertrouwen, en dat was moeilijk. Maar het lukte. En beetje bij beetje werd de wond geheeld en waren ze weer zo gelukkig, nee, gelukkiger, dan voordien. Het voorval had hun liefde net versterkt. Ze waren er allebei beter uitgekomen.
En nu zijn ze op weg naar diezelfde Andreas. Ze zullen er één nacht blijven en morgenvroeg weer vertrekken. Aangezien het al laat is, zullen ze zelfs niet al te veel tegen elkaar moeten zeggen. Geen pijnlijke stiltes. Geen ongemakkelijke spanningen. Gewoon een vriendelijke babbel en dan slaaptijd. Hij weet zeker dat hij dat aankan. Hij zou zich niet aanstellen. Dat heeft hij voor de reis beloofd. En Béatrice heeft hem gezegd dat hij wel zal merken dat zij geen gevoelens voor die jongen heeft. Nooit gehad. Maar het komt nu gewoon zo goed uit dat Andreas in Parma woont en dat ze daar deze nacht moeten slapen. Nee. Jonathan heeft hier echt geen problemen mee. Gelukkig maar. Een ruzie zou heel de reis vergallen. En een slaande ruzie al helemaal. Jonathan is die klap die Andreas hem had uitgedeeld trouwens nog niet vergeten.
Wanneer Jonathan en Béatrice de trein uitstappen, zoeken ze meteen op hun plattegrond van Parma welke richting ze uit moeten. Ze kunnen zich beter haasten, want al te laat bij Andreas aankomen, getuigt van weinig respect voor hun gastheer. Hoewel hij wel begrip zal hebben voor de situatie. Tenslotte weet je nooit welke elementen je reis kunnen vertragen.
Zoals ze wel hadden verwacht, is Parma geen grote stad. Samen wandelen ze door de gezellige, verlichte straatjes, langs het donkere Parco Ducale. Aangekomen in de Via dei Farnese, zoeken ze Andreas’ huisnummer.
“Zal het gaan, schat? Ik weet dat dit niet gemakkelijk is voor jou, reden te meer waarom ik het zo apprecieer”, probeert Béatrice haar vriend op zijn gemak te stellen.
“Ik lijk wel gek, ik weet het. Maar ik wil dit graag voor je doen. En ook voor mezelf. Het is heel handig om iemand te kennen in deze stad, en dan sparen we al geld voor een hotel uit.”
“Je bent zo lief”, lacht Béatrice, terwijl ze op de bel drukt.
Geen antwoord.
Een minuut wachten.
Ze probeert nog eens.
Geen antwoord.
Een halve minuut wachten.
Ze belt nog eens.
Geen antwoord.
Béatrice en Jonathan kijken elkaar perplex aan.
“Hij ging toch thuis zijn?”, vraagt Jonathan.
“Natuurlijk. Ik snap er niks van.”
“Heb je zijn gsm-nummer?”
“Ik heb in Mantua gebeld, maar hij nam niet op. Op mijn berichtje dat ik op de trein verstuurde, reageert hij ook niet.”
“Straks hebben we geen slaapplaats. Wat doen we nu? Dan toch een hotel of jeugdherberg zoeken?”
“Er zit niets anders op”, besluit Béatrice ongerust.
Aan een voorbijganger vragen ze waar er ergens een jeugdherberg in de stad is. Die moeten ze in het noorden van de stad zoeken, net erbuiten, zo blijkt. Terwijl ze met lood in hun schoenen de stad uit wandelen, weer langs het station, dan de Via Trento en de Via San Leonardo door, begint Béatrice zich zorgen te maken over Andreas. Wat zou er gebeurd zijn? Ook voelt ze zich allesbehalve op haar gemak. Bijna elke hangjongere die ze in de donkere straten passeren, kijkt haar met gretige ogen aan, en één brutale jongeman doet haar zelfs een oneerbiedig voorstel, terwijl zijn hand veel te laag over haar rug glijdt, dit alles mét Jonathan erbij! Deze wordt wat plagerig heen en weer geduwd en krijgt een harde tik tegen zijn achterhoofd, wat op luid hoongelach wordt onthaald. Jonathan weet dat hij maar beter zijn mond houdt. Tegen drie van die sterke mannen kunnen hij en Béatrice nooit op. Hij zou zijn tanden kunnen rapen op het trottoir, terwijl Béatrice de trofee zou worden. Buiten enkele groepen jongeren is er bijzonder weinig volk op straat.
Het laatste stukje moeten ze over de oprit naar de ring rond Parma stappen. De auto’s rijden razendsnel en letten amper op de twee weerloze voetgangers. Tien minuten later bereiken ze de jeugdherberg. Volzet.
Béatrice probeert in haar beste Italiaans uit te leggen dat ze dringend een slaapplaats nodig hebben, maar de wat oudere man aan de receptie haalt ongeïnteresseerd zijn schouders op.
“En nu?”, vraagt Béatrice, wanneer ze de nacht induiken.
“We kunnen teruggaan naar het station”, zegt Jonathan. “Wie weet rijden er nachttreinen naar Bologna.”
“Ik zou er niet op hopen, schat”, luidt het antwoord.

due
Geen nachttreinen naar Bologna. Of toch zeker niet voor vier uur ’s nachts. Dat is nog een paar uur, maar te lang om in de straten rond te dolen. Op hun weg terug naar het station werden ze weer eens lastig gevallen door enkele jongeren, deze keer zonder handtastelijkheid en zonder tik tegen het hoofd, gelukkig maar.
“Er zit niets anders op dan het centrum wat te verkennen”, besluit Béatrice. “Daar zal het iets aangenamer zijn dan hier in de stationsbuurt. Dat is in de meeste steden zo.”
Het centrum blijkt niet ver te zijn. Parma by night is puur genieten en het tweetal vergeet al snel de ongemakken van daarnet. Vooral de goed verlichte kathedraal op de Piazza Duomo is ‘s nachts sprookjesachtig mooi. Met het Battistero en de Campanile aan haar zijde lijkt ze Béatrice en Jonathan te verwelkomen en hen ervan te willen overtuigen dat dit het échte Parma is. Op het plein aan de universiteit zitten enkele jonge muzikanten met een paar flessen wijn in de aanslag liedjes op hun gitaar te spelen. Béatrice en Jonathan herkennen 'Losing My Religion' van R.E.M. en neuriën zachtjes mee. Het is warm. Het is nacht. Maar de straten zijn allesbehalve verlaten. Studenten zorgen ervoor dat Parma ook ’s nachts leeft! Dit is het echte Italië, ver weg van de politiek, die het land zo verzuurt, en van de criminaliteit, die het land nog steeds in de ban houdt. Dit is het Italië dat iedereen zou moeten onthouden. Het onoverwinnelijke Italië van de glimlach, het glas wijn, de akoestische gitaar, de pretoogjes, de eeuwige levensvreugde.
Na enkele minuten genieten van dit eenvoudige maar gelukzalige schouwspel, hoort Béatrice haar naam. Voor ze beseft wat er gebeurt, staat een opgetogen, lichtjes aangeschoten Andreas voor hen.
“Andreas!”, roept ze. Eerlijk gezegd weet ze niet welke houding ze tegenover hem moet aannemen. Moet ze nu blij zijn of net kwaad? Als ze hem niet waren tegengekomen, dan zouden ze geen plaats hebben gehad om te slapen, en dat hadden ze nochtans zo afgesproken. Anders hadden ze wel op voorhand een jeugdherberg gezocht.
Jonathan is haar voor. “Andreas, ik apprecieer het enorm dat we bij jou mochten overnachten, maar waarom was je niet op je appartement toen we aan de deur stonden? We zwerven al meer dan een uur in Parma rond terwijl we, zeker na deze drukke dag, onze nachtrust goed konden gebruiken. En nu vinden we je hier tussen het feestvolk, zo zat als een kanon.”
“Rustig, Jonas, rustig”, antwoordt Andreas in zijn beste Engels.
“Jonathan!”
“Wat?”
“Het is Jonathan, niet Jonas.”
“Sorry. Jonathan. Wel, Jonathan, zo dronken ben ik niet hoor. Dat lijkt alleen maar zo. Ik ben mij gewoon aan het amuseren, dat is alles.”
“Je had ons toch ook gewoon eerst kunnen opwachten, ons in je appartement binnenlaten en daarna gaan feesten? Dan was je tenminste je belofte nagekomen”, zegt Jonathan nors.
“Het spijt me, oké? Ik had er moeten zijn. Maar ik ben momenteel met belangrijkere zaken bezig.”
“Je ladderzat zuipen?”, roept Jonathan verontwaardigd.
“Nee, Jonathan. We zijn hier aan het protesteren. Vreedzaam aan het protesteren natuurlijk. Met flessen wijn en een gitaar.”
Béatrice kijkt rond zich heen. Ze had de grote spandoeken en kartonnen borden met opschriften nog niet eens opgemerkt.
“Wat gebeurt er hier?”, vraagt ze verschrikt.
“Wij zijn onze regering kotsbeu, dat gebeurt er. Hun doofpotoperaties, het doorsluizen van miljoenen euro's, de machtspelletjes... Alles!”, antwoordt Andreas.
Jonathan kan ondanks zijn irritatie toch nog een glimlach forceren. “Dat kan ik geloven, met zo’n dictator aan het hoofd van jullie land.”
“Wat weet jij er nu van”, snauwt Andreas. Nu kijkt hij Béatrice aan. “Trouwens, de helft van de regering is zo racistisch als de pest. Mocht het je interesseren.” Béatrice en Jonathan laten de opmerking liggen maar wisselen een blik van verstandhouding. “Hier, drink wat grappa!”
“Wij willen eigenlijk gewoon gaan slapen”, zegt Béatrice. “Kan je niet even meelopen naar je appartement? Dan kan je voor ons opendoen en kunnen we er blijven slapen.”
“Dat is goed, en dan kom ik hier terug, want ze hebben me hier nodig”, antwoordt Andreas.
Jonathan kijkt Andreas spottend aan. “Ik denk niet dat het veel uitmaakt of je nu hier blijft of niet hoor. Of denk je dat wat dronken op een gitaar liggen tokkelen veel zal uitmaken? Denk je dat Berlusconi er zijn slaap voor zal laten? Dat hij nachtmerries heeft van die zatte heethoofden die in Parma wat lawaai staan te maken?”
“Drijf het niet te ver, Jonathan. Jij snapt hier niets van. Hup, naar mijn appartement! Hoe sneller ik hier terug ben, hoe liever!”
Een knal.
Een waarschuwingsschot? Van alle kanten komt politie aanstormen. Met hun matrakken drijven ze de jongeren uiteen, ze trappen de borden stuk en dreigen met hun pistolen. Béatrice en Jonathan hebben geen andere keuze dan mee de straatjes in te vluchten. Hoewel ze bij elkaar proberen te blijven, moeten ze na tientallen seconden al opsplitsen. Achter haar schouder ziet Béatrice met afgrijzen hoe Andreas zijn lege fles wijn naar een agent gooit. Deze weet die te ontwijken en slaat genadeloos met zijn knuppel toe. Vervolgens boeit hij Andreas’ handen en sleept hem weg.
Jonathan loopt tot hij niet meer kan en blijft hijgend en voorovergebogen aan een hekje staan, tot hij op adem is gekomen. In de donkere en amper verlichte straatjes hoort hij geen voetstappen meer maar in de verte is er nog kabaal, onherkenbare klanken van ontreddering. En woede. Uiteraard.
Hij besluit naar Béatrices gsm te bellen maar ze neemt niet op.
“Verdomme, schat, neem op, neem op.”
Dan besluit hij maar te wandelen en belandt hij in een park. Hoewel Parma niet zo’n grote stad is, merkt hij dat hij de weg al helemaal kwijt is. Doelloos kuiert hij rond tussen zwarte bomen en donkergrijze struiken. Hij moet even wachten. Hij kan nog niet terug. Wat bezielde die mensen? Zomaar een vreedzame en niet bepaald actieve betoging aanvallen en alles kort en klein slaan? Is dat de manier waarop Italië haar bevolking in toom wil houden? Regelt Silvio Berlusconi zo zijn zaakjes met mensen die het niet eens zijn met zijn beleid? Jonathan wordt er ziek van. Door alles wat er is gebeurd, krijgt hij plots meer sympathie voor dat zootje ongeregeld dat met gitaar, grappa en gore moppen wil aanklagen wat er al jaren misgaat in hun land. Maar de regering reageert met de ijzeren hand en duldt geen inspraak van het volk. Laat staan tegenspraak. Democratie is hier ver te zoeken. Hier en elders in Europa, waar ze in de meeste landen op iets subtielere maar daarom niet minder doeltreffende wijze wordt vertrapt.
Jonathans overpeinzingen worden plots verstoord wanneer hij voetstappen achter zich hoort. Hij kijkt om maar is te laat om een vuistslag in zijn gezicht te ontwijken. Compleet verrast en met een kreet van pijn valt hij in het gras. Een zwarte laars raakt hem keihard in zijn maag en Jonathan plooit dubbel, waarna hij op de grond blijft liggen. Dan volgt er niets meer. Er wordt niet nagetrapt. Zijn belager kiest het hazenpad.
Met zijn ene hand grijpt Jonathan naar zijn buik terwijl hij met zijn andere hand het bloeden van zijn neus probeert te stoppen. Wie was die man? Een politieagent? Een van Andreas’ vrienden? Andreas zelf? Nee, die is niet kunnen ontsnappen, dat heeft ook hij nog kunnen zien, voor hij in de wirwar van straatjes verdween. Was het dan gewoon een overvaller? Maar hij had niets gestolen. Het is pas wanneer Jonathan het park verlaat, zijn neus diep in zijn handen begraven en zijn blik nog wazig van de slag, dat hij beseft dat hij zijn rugzak niet meer bij zich heeft. Snel haast hij zich terug naar de plek waar hij in elkaar was geslagen, maar daar ligt niets meer. Hij is er vrij zeker van dat zijn rugzak op de grond was gevallen toen die vuist zijn gezicht raakte, maar hij zag die, toen hij weer rechtstond en verder wandelde, niet meer liggen. Daar is hij nu zeker van. Er zat dus wel degelijk een bedoeling achter de aanval. En wat nu?

tre
Tussen de open geklauwde vuilniszakken en gebroken flessen, tussen ingedeukte kartonnen dozen en besmeurde straatstenen, vindt hij haar terug. In een verlaten hoekje in een van de minst drukke straatjes van Parma. Daar ligt ze. Haar blouse gescheurd en aan de onderkant doordrenkt in bloed, net zoals haar losgetrokken broek. Ze huilt. Haar tranen lijken niet te stoppen. Vervuld van walging schreeuwt ze het uit. De schaamte moet eruit. Jonathan neemt haar in zijn armen maar weet zelf amper wat te beginnen. Hij probeert haar broek te maken maar dat lukt niet. Hij probeert haar te troosten maar dat lukt niet. Hij probeert maar niets lijkt te lukken. Daar is het nu het moment niet voor. Hij vraagt haar wat er is gebeurd, maar dat kan ze niet zeggen. Het onbeschrijflijke is gebeurd, en daar kan Béatrice niets over zeggen, daar zijn gewoon geen woorden voor. Daar moet ook de schrijver verstek laten gaan. Wat er zich hier in dit smerige steegje enkele minuten geleden heeft afgespeeld, dat kan niemand beschrijven. Dat gaat gewoon niet. Maar het heeft Béatrice grondig veranderd, en ze zal nooit meer dezelfde zijn. Jonathan huivert bij het zien van zoveel bloed. Is dat wel normaal? Wat is er toch gebeurd? Wat heeft die smeerlap in godsnaam gedaan? We moeten dringend naar het ziekenhuis, schat. Je moet verzorgd worden. Waar heb je pijn? Jonathan… Och, wat een stomme vraag stel ik toch. Vergeef me, schat. Jonathan… Ik wil alleen maar weten waar al dat bloed vandaan komt. Jonathan… Hoe kunnen we het best… Jonathan! Luister eens… We moeten niet naar de dokter, we moeten naar de politie. Ik wil die klootzak aangeven.

quattro
Het is heerlijk kuieren langs het Canal Grande. Met plezier laten Béatrice en Jonathan zich door de gezellige drukte meeslepen en zich verdwalen in de wirwar van straatjes, waarvan er enkele doodlopen op het kanaal, met zicht op een of andere ravissante palazzo, schitterend in de Venetiaanse zon. In een van de ontelbare ijswinkeltjes kopen ze verrukkelijke gelatto, elk twee bollen, hij meloen en aardbei, zij vanille en amaretto. Op de Rialtobrug kijken ze uit over de drukke bedrijvigheid van gondels en andere bootjes op het kanaal, terwijl ze stukjes ijs op hun tong laten wegsmelten.
“Wat een reis”, zucht Béatrice niet verdrietig, maar ook niet bijzonder opgewekt.
Jonathan antwoordt met het obligate “Zeg dat wel” en sluit zijn troostende armen rond Béatrices slanke middel.
Béatrice drukt een zachte amarettokus in zijn gebruinde nek en zegt, “We hebben erge dingen meegemaakt in Parma. Heel erge dingen. Maar dat is nu voorbij. Dat moeten we nu vergeten.”
“Het had nog erger kunnen aflopen”, zegt Jonathan. “Je hebt dat zwijn tenminste niet de kans gegeven om je… om…”, stamelt hij. Hij kijkt zijn lief in haar mooie, bijna zwarte ogen. “Het had nog erger kunnen aflopen.”
“Hoe kunnen wij de afloop nou weten, schat?”, zegt Béatrice. “Ik heb die man misschien gedood.”
“Niet aan denken”, sust Jonathan. “En je vooral niet schuldig voelen. Die man heeft dat verdiend.”
“Van zo’n wond, op die plek, kan je sterven, als je niet onmiddellijk geholpen wordt. Het was afschuwelijk, liefste. Plots had ik zijn ding, zijn afschuwelijke ding, in mijn handen. Het keek me aan met dat ene oog, vol haat, vol verwijten, terwijl die vetzak daar lag te kreunen en te bloeden. Zijn kreten! Ze sneden door merg en been. Ik kan het nooit vergeten. Ik heb een man verminkt. Voor de rest van zijn leven. Als hij nog leeft!”
Jonathan merkt dat zijn lieve schat begint te panikeren. Haar stem wordt steeds onrustiger, en hij voelt dat hij haar moet troosten, om te voorkomen dat ze hysterisch wordt. Natuurlijk zal dit nog lang een trauma blijven. Wat er is gebeurd die nacht in Parma, is zo gruwelijk dat Jonathan zich afvraagt of het niet beter was geweest als die smeerlap haar wel had verkracht en het daarna op een lopen had gezet. Hoe afschuwelijk dat ook zou zijn geweest, ze zou zich tenminste nooit zo onbeschrijflijk schuldig voelen als nu. Of is dat een gedachte die zich enkel in het brein van een man kan vormen? Ook heeft hij nog steeds heel wat vragen bij de manier waarop de Italiaanse politie haar verhaal had aangehoord en vervolgens behandeld. Hadden ze het wel behandeld? Het leek eerder op een minnelijke schikking: jullie zwijgen over die verkrachter die de straten van Parma onveilig maakt en wij onderzoeken deze steekpartij niet verder. Waarschijnlijk was Beatrice’ aanrander al gevonden nog voor Jonathan Béatrice had gevonden en hij haar met veel moeite moest kalmeren om haar verhaal op een coherente manier te vertellen. Misschien ging het om een gerenommeerd zakenman of een geliefd figuur, en wilden ze op die manier het verhaal in de doofpot stoppen. Alsof zoiets mogelijk is.
Hij had er de dag nadien, op de trein naar Bologna, nog geen twaalf uur na de feiten, niets over in de krant gelezen. Enkel over de betoging die door de politie werd verhinderd en over de manifestanten die waren opgepakt. Manifestanten? En nu, nog een dag later, zitten ze hier, op een bankje op de Rialtobrug in het sprookjesachtige Venetië. Hoe had hij er vandaag al van genoten om haar weer te zien opbloeien, in de meest romantische stad ter wereld. Ze had dit echt nodig. Hij ook.
“Het was hij of jij. Misschien had hij je daarna wel vermoord, want je hebt zijn gezicht zo goed kunnen bekijken dat je zijn uiterlijk bij de politie duidelijk hebt kunnen beschrijven. Je hebt gedaan wat je moest doen en moet je dus absoluut nergens schuldig om voelen”, drukt Jonathan haar op het hart. “Het enige wat we nu moeten doen, is dit zo snel mogelijk vergeten en verder gaan met ons leven.”
“Vergeten. Dat kan ik nooit.”
“Nee, ik ook niet. Dat zou niemand kunnen. Maar toch mag het ons niet voor de rest van ons leven achtervolgen. Voel je alsjeblieft niet schuldig, schat, je kon niet anders.”
“Ik zie je zo graag”, zegt Béatrice. “Ik kan me geen betere vriend inbeelden. Ook kan ik me geen gelukkiger moment in m’n hele leven voorstellen dan hier en nu op deze brug”, glimlacht ze teder, terwijl ze in zijn grote, opgeschrokken ogen kijkt.
“Wat is dat?”, vraagt hij.
Ze kijken in de richting van de Ruga dei Oresi. Er is daar iets aan de hand. Op dat pleintje achter de kerk.
“Laten we hier weggaan”, fluistert Béatrice. Maar het is al te laat. Een groep betogers komt de andere kant van de brug oplopen, achternagezeten door politie. Niet opnieuw. Alsjeblieft niet...
“Lopen!”, roept Jonathan. Maar hij is Béatrice al uit het zicht verloren. Overal haasten honderden mensen zich nu over de brug, op weg naar de andere kant van het kanaal, waar nog andere agenten hen staan op te wachten. “Dit is een oorlog”, denkt Jonathan. “Ik zit in het midden van een oorlog. In Venetië?!”

cinque
De vuist die als uit het niets lijkt te komen, raakt haar keihard in haar maag. Nog niet bekomen van de verschrikkelijke klap, krijgt ze een andere vuist al even hard in haar gezicht gedrukt. Kreunend en hijgend probeert ze naar adem te happen, maar ze proeft enkel haar eigen zoete bloed, dat uit haar mond sijpelt. Nadat een matrak haar op het achterhoofd mept, duizelt ze, en wordt ze door twee politieagenten tegen de grond geduwd. Van woede vertrokken gezichten onder kepies buigen zich over haar lichaam, zwaaien hun vuisten in de lucht, laten hun vuisten neerdalen, zwaaien hun vuisten weer in de lucht... Jonathan ziet het allemaal in slow motion. Als een film met hypnotiserende, golvende, bijna geruststellende bewegingen. Een gehandschoende klauw grijpt naar Béatrices haar en trekt haar van de grond weg. Haar lippen zijn gescheurd en bloeden uit verschillende sneetjes. Haar neus staat weerzinwekkend scheef op haar gezicht. Haar rechteroog is dichtgeslagen. Haar linkeroog tolt hulpeloos in het rond. Donkerrood bloed besmeurt haar kapotte huid. Een misselijkmakend gevoel maakt zich van Jonathan meester. Ze zijn haar aan het afmaken. Ze slaan haar tot pulp alsof het de normaalste zaak van de wereld is!
Zijn hart schreeuwt een stille schreeuw wanneer hij machteloos toekijkt hoe de agenten haar arresteren. Ze duwen haar tegen een gevel aan, met haar gezicht in de muur. Haar handen worden langs achter geboeid en ze wordt hardhandig meegevoerd. Naar het politiebootje op het kanaal.
Amper beseffend wat er nu precies is gebeurd, laat staan hoe dit is kunnen gebeuren, blijft Jonathan vertwijfeld staan. Hij kijkt naar de onstuimige massa. Deze mensen zijn kwaad. Deze mensen zijn razend. Deze mensen willen verandering. En dit is wat de Italiaanse regering hen geeft. Verschillende betogers – mannen, vrouwen, kinderen – worden op een even professionele wijze in elkaar getimmerd als zijn lieve Béatrice.
Plots blijft zijn panikerende blik op een groot bord hangen, dat door een van pure razernij schreeuwende man hoog in de lucht houdt. Grote, rode, kwade letters in het Italiaans, met daaronder relatief kleine maar overduidelijke foto’s van enkele van de meest vooraanstaande gezaghebbende leden van het huidige kabinet. Eén van de afgebeelde politici, een kalende, grijze papzak in peperduur kostuum, kijkt hem grijnzend aan. De wijnvlek op zijn blinkende schedel als een uitroepteken van absolute macht. Alles wordt Jonathan nu duidelijk. Het was een complot. Een zorgvuldig gepland complot. Ze hebben het verdomme slim gespeeld. Het geld was niet genoeg. Béatrice moest gewoon verdwijnen.
Jonathan spuugt op de grond en kijkt naar de blauwe, vreedzame lucht. Hij zal Italië niet meer verlaten. Dit is zijn strijd geworden. Een brede grijns verschijnt nu op zijn gezicht, en snel zoekt hij de meest krankzinnige, mensonterende, repressieve schermutseling op in de comédie humaine die zich voor zijn ogen afspeelt, en stort hij er zich met een oorlogskreet van pure onmacht, frustratie en woede – vooral woede – middenin.

maandag 12 december 2011

A voor Afkeer


Na afloop van wat er zaterdag is gebeurd op het Astridplein, krijgt dit teken van vendetta een andere betekenis. Een omgekeerde A die, net als bij een omgekeerd kruis, de absolute walging ten opzichte van waar het originele symbool voor staat, uitdrukt. Een bloedende A, in staat van ontbinding en naar de grond gericht, want daar zal A ook eindigen.

Wanneer mensen niet meer op vreedzame manier hun verontwaardiging kunnen uitspreken over alles wat er fout gaat en wat aan verbetering toe is in hun stad, wanneer mensen niet meer op respectvolle wijze in groep kunnen verkondigen dat onze stad - en ons land - eindelijk wil waar het recht op heeft, en dat is rechtstreekse democratie, dan wonen die mensen in een stad die maar één doel heeft en dat is die mensen controleren en in toom houden en hun leiders beschermen tegen elke vorm van kritiek, hoe ongevaarlijk ook, die de burgers, het 'domme' vee, tegen hen kunnen keren, en dat terwijl de échte zwakke schapen op straat doodvriezen van de kou.

Antwerpen is de grote letter A waardig, want het is een A van schaamte, al is Antwerpen de schaamte al lang voorbij. De A staat voor Afkeer, want de burger wordt stilaan aangemoedigd om braafjes in de rij te lopen, om te consumeren en niet na te denken, en om vooral ook niet te veel lawaai te maken, letterlijk maar ook figuurlijk, want anders zal de polies A wete te vinde!

Grootschalige acties zoals Music For Life krijgen een podium terwijl wanneer het 'gewone' volk zijn mening wil spuien en het publiek wil sensibiliseren voor problemen in de eigen stad, zij worden de mond gesnoerd en omsingeld door een belachelijk groot leger van fascist cops. De politie is uw vriend, maar niet in een politiestaat.

Kan dit, mag dit, is dit oké? Of druist dit in tegen vrijheden die we eeuwen geleden hebben verworven en waar we toch zo trots op zijn wanneer we naar andere landen kijken, waar die vrijheden op minder subtiele manier worden vertrappeld?
Dit is, uiteraard, verre van oké, en dit moet stoppen! Knoop het in A oren, Patrick Janssens, wij zijn uw vriend niet en wij pikken zoiets niet!

Antwerpen, zo'n mooie stad, met zo'n mooie toekomst, maar dan moet er nu iets veranderen, of we zijn onze toekomst, en onze stad, kwijt!

zaterdag 10 december 2011

De reizen en uitstapjes van 2011

Het is duidelijk. 2011 was een reisjaar!

Jonathan Coe: Lost Opportunity

This is the first part of a text I'm writing about my favourite novel writer Jonathan Coe. The other parts have not been written yet. All of the sources are only from his novels, so I did not use any secundary literature, which means this is only a semi-scientific approach, or, in other words, just for fun. I hope some Jonathan Coe fans will read it. For those who haven't read the novels I write about, this text contains some inevitable spoilers.
COE!, part 1
When you’re an absolute fan of a particular novel writer and you cannot stop reading his or her fiction, working yourself more and more into his or her storyworld, with a sheer conviction to read each and every novel, and a huge disappointment when there is nothing more to read – well, then you might get to start seeing connections and parallels between all of these novels. You get the idea that you can really theorize about this author’s work. While I am perfectly aware that no author really likes his or her work to be theorized, I think it would be an interesting thing to write in some generalizing lines about Jonathan Coe’s fiction.
Given the well-known fact that there are as many interpretations, or even version, of the same novel as there are readers, I still feel obliged to state that my “summarization” of Coe’s fiction is not even close to being exhaustive. As a matter of fact, it is only the tip of the iceberg, in that it can only be highly subjective, and there are many aspects that I am not even aware of. In fact, Coe’s fiction could perfectly contain some interesting elements which the author himself will not be (fully) aware of, although the bulk must obviously be attributed to Coe’s ingenuity. My objective is to point out a few characteristics of Coe’s fiction, some aspects that in my opinion are common in his work. I am not talking about the fact that some of them feature a middle-aged male protagonist who lives either in Birmingham or London, or about the fact that there is a lot of film obsession in at least two of his novels, but rather about his writing style, some recurring themes, structure… These general ideas will be illustrated by some very good examples, and it will be a pleasure to flutter through the pages of some of my favourite novels and partly revive the great experience I had while reading them.
At the moment I am writing this essay – let us call it an essay – Jonathan Coe is the author of nine novels up to now, eight of which I have read and will use as study matter. Whenever people ask me what his writing is about, I usually begin by saying that Coe’s fiction is openly critical of British society and that the political aspect is quite important to it. Furthermore, his writing is characterized by an enormous amount of wit. Among the types of humour he likes to use are wordplay (think of “the necessary biro” in What a Carve Up! (WaCU!)), satirical irony and especially situational humour, which has always been my favourite type of humour. Think of any British sitcom (what’s in a name?) and there you have it. In fact, many of the situations Coe’s characters find themselves in are very recognizable to the reader. There is indeed yet another aspect of his writing. Every single one of his novels is set in a fascinating storyworld inhabited by a cast of very humanlike and utterly recognizable characters. That is one of the many reasons why his novels are such a success and why many readers think they are so moving. Because of the characters’ high resemblance with real-life persons, most readers find themselves empathizing with many of them. Some of these readers in such a way that they begin to feel a character’s pain, share his or her joy, and feel empty when he or she dies. And there is as much to cry about as there is to laugh about. According to Coe, drama and humour are two sides of the same coin, and you cannot have one without the other. This idea is very perceptible in any of his novels. Some of the jokes need a long build-up, which might contain some very distressing events. Sometimes the very clue of a joke can be a very tragic event. Most of the time, such an event is followed by a funny passage, to lighten up the tone a bit. In any case, the marriage of drama and comedy is, in my experience, essential to Coe’s fiction.
There are some more generalizations to be made, one of them being the inevitable meta-level of the novels. Most parts of the novels are generally documents themselves. Both The Rotters’ Club (TRC) and The Closed Circle (TCC) consist of a heterogeneous compilation of documents: diary entries, newspaper accounts, letters, e-mails, interviews, reports… There are too many to mention. For most of these documents, it is easy to find out who has written it, but there is much information that cannot be attributed to any character, which impedes the process of source tagging (who has given the information? what is the source of it? the narrator? a character?). In WaCU!, the two last pages totally puts into question everything that the reader has learned in the 500 previous pages. All of a sudden, the very source of the information, which, up to now, had seemed fairly reliable, is not completely valuable anymore. The reader is not certain anymore of who has gathered all the information and everything he or she has learned so far has to be put in doubt. In The Rain Before It Falls (TRBIF), the middle part is actually the audio of a cassette that has been recorded by the main character, who, as the reader finds out, has died in the beginning of the novel. The much disputed ending of The Terrible Tragedy of Maxwell Sim (TTPoMS) is openly meta-linguistic, as the main character Maxwell Sim finally meets his Maker, in both senses, that is. Not only does he meet Jonathan Coe, his spiritual father, who tells him that he is not going anywhere because he is nothing more than a fictional character, but he also kills him off by simply stating that this is the end of the novel and that there is no so-called afterlife. The novel ends when the author wants it to end. The fact that this last chapter abruptly shatters the game of make-belief that is fiction, seems to have bothered many readers. The story they have been following is ultimately nothing more than a non-event – it didn’t happen because it is fiction – and the characters they have been empathizing with, only exist inside the covers of the novel. This pushed meta-level is typical of post-modernistic writing, and it is not the only aspect to be found in Coe’s work.
There are six intriguing aspects of Coe’s fiction I would especially like to draw attention to. First, I will illustrate the idea of lost opportunity in his novels. Second, there are some simultaneous storylines to be pointed at. Third, there is the observing quality of Coe, whose fiction happens to be called satiric realism. Fourth, there is the interesting structure of each of Coe’s novels. Fifth, Coe’s fiction is punctuated with ambiguity. Sixth, there are his endings, which often even add more ambiguity to the story that the reader has just finished reading. All of these aspects will be illustrated by examples from his novels.
LOST OPPORTUNITY
Recognizable characters are per definition anti-heroes. They are non-actual people whom the reader can identify with. This means that they are far from perfect and that they have (many) flaws. It is very common that they do not (immediately) succeed in their attempts. They generally aim for the attainable and somehow do not seem to be able to reach it. Not quite the Overreacher, they still fail to succeed. There is indeed a huge sense of failure in the modern novel, especially because life is prone to failure. Many characters in Jonathan Coe’s novels seem to even have some sort of aura of failure, and the cause seems to be hidden in a certain flaw at the very core of their individuality, which can have both comic and tragic effects. In some of Coe’s novels, a character’s search for that flaw becomes the very quest of the novel, as the character, after wondering for many pages what is actually wrong with him or her, slowly discovers the truth, and that is always a bitter pill to swallow.
Let us take Benjamin Trotter as a first example. However sympathetic the reader may find this character, it becomes more and more clear, especially in TCC, that there is something wrong with him. And Benjamin is perfectly aware of this, as he wonders in TRC why he has written a bad review about Cicely, the actress who plays Desdemona in the school version of Othello, and whom Benjamin has a major crush on:
Quite simply, some sort of madness must have seized him when he sat down at the typewriter that evening. Here, after all, was the opportunity he had been dreaming of for years: the chance to compose, not just a love letter to Cicely, but something infinitely more potent – a public statement of his admiration for her, a panegyric to her beauty and her talent which couldn’t fail to put her endlessly in his debt. And yet for some crazy, unfathomable reason he had done nothing of the kind. He had sacrificed this glorious opening on the altar of some half-baked notion of critical objectivity. Yes, her performance had been bad; of course he had realized that, of course he had believed it; but to have said so, in such uncompromising terms, when every motion of his heart was telling him to do the opposite – well, this was idiotic. This was perverseness of the first order. The whole episode, in fact, raised a much larger question, just as unanswerable, and one which was pressing itself upon him a good deal these days: what was the matter with him, exactly? (TRC 201)
During both TRC and TCC, Benjamin is doing everything he can to get closer to Cicely, and somehow, his own actions seem to check this significant goal. Cicely is Benjamin’s Holy Grail, but initially Benjamin seems incapable of approaching her in a successful way. It is when he least suspects it, that Cicely breaks the ice and they finally meet each other. It is ironic then, that Cicely is much impressed by Benjamin’s harsh review, and that this act of perverseness actually brings them closer together, something which initially had seemed absolutely impossible. But when it becomes clear to everybody except Benjamin that Cicely is the least suitable girlfriend imaginable, Benjamin either proves to be totally blind to their friends’ warnings, or simply chooses to ignore these facts. When, in TCC, twenty years later, Cicely seems to have abandoned Benjamin, the quest starts anew, and, like in TRC, Benjamin encounters many possible and much more suitable women than Cicely. Among them is his wife, Emily, whom he has married some fifteen years earlier, but their marriage is already a failed one. Then, there is Claire and her crush on Benjamin, who seems to ignore this fact as well. Each time Claire tries to show him her feelings, Benjamin clams up, and it is only afterwards, that Benjamin reflects on these moments as being lost opportunities: “As they left the café Benjamin managed to snatch just a moment’s eye contact with Claire; and then they were gone, leaving him bereft; gripped, after all, by an overwhelming sense of lost opportunity” (TRC95). This is a typical aspect of Benjamin’s. He has a realistic opportunity, against all odds, that is, but somehow he always messes things up.
As a reader, I had the feeling that Claire and Benjamin should have been together, but that they never have, although I’m not sure whether Coe intended this, or that other readers had the same impression. This lost opportunity also seems to have some sort of symbol. The yellow balloon Benjamin lost when he was a little child appears to become the icon of disappointment, of could-have-been, of, indeed, a lost opportunity. When Benjamin drives home after a meeting with Claire in TCC, he sees the same yellow moon that has always reminded him of Cicely and of how he lost her and of how he is now married to Emily, but actually, the symbol could perfectly apply to this new lost opportunity. He could have got closer to Claire. He could have gone home and talked to Emily about their problems. But instead, for the umpteenth time, he thinks of Cicely, because he cannot get rid of the past, because he cannot cope with this enormous sense of loss. In the following passage, however, something seems to shift Benjamin’s feelings in the direction of Claire, and the reader might create some sort of hope that they will finally end up in a relationship together.
And now, looking into his passenger wing-mirror and seeing the yellow moon reflected, and beneath it the lights of Malvern (one of them, he knew, the light from Claire’s sitting-room window), […] he felt a glow of pleasure, of comfort, at the thought that he and Claire remained friends even after two decades. But there was more than that: for at this moment he admitted to himself, for the very first time, that there had always been a desire on Claire’s part for something bigger than friendship, a prospect which must have scared him, before now, else why would he have denied it for so long, suppressed the knowledge so ruthlessly? But tonight, suddenly, he didn’t feel scared by it. Nor did he want to turn the car around, drive back towards Malvern, and spend the night with her. The feeling which came over him wasn’t as simple as that. It was merely that the combination of Honegger’s limpid melody and the yellow moon which was so much an emblem of his most primal wishes seemed tonight to take on the aspect of a sign: a pointer towards his own future – at the centre of which – distant but ever-present, ever-dependable – was the gleaming lamplight from Claire’s cottage. As the radiant certainty of this swept over him, Benjamin found himself shivering, and having to pull over to the side of the road to brush hot tears away from his eyes (TCC 221).
But this moment of apparent revelation turns out to be the last time he thinks (and feels!) about Claire in such a way. When he finally divorces from Emily and, after a period in which he hit rock bottom, he starts planning his new life, he initially cannot choose the woman he will have to spend that life with: either Claire, which would have been an obvious choice, or Malvina, a young woman whom he has these awkward meetings with and who is young enough to be his daughter. It finally turns out that she is his daughter, but Benjamin does not know this when he decides to text Malvina to tell her that they belong together. Very awkward, very humiliating, and very typical of Benjamin indeed!
Benjamin is not the only main character who could be said to have an aura of failure. Maxwell Sim turns out to suffer from the same life-hampering syndrome. On his way to the Shetland islands, he has arranged to stop in Edinburgh to meet Alison Byrne, a friend of old time. When they were in their teens, they used to have feelings for each other. But Alison gave him up as a lost cause when, after having made several explicit overtures, Maxwell still didn’t seem to get it. The following passage will illustrate his reactions to Alison’s overtures.
As I slipped out of my jeans and pulled my T-shirt over my head I could feel that his eyes were on me, although when I turned to smile at him he just looked away quickly. ‘Are you sure you’re not going to come in?’ I said, but he shook his head. He was smiling back at me but, as always with Max, it was impossible to say what the smile meant or what he was thinking. I stood there for a few seconds, regarding him with enquiring eyes, my hands on my hips – making sure he got a damn good look at me in that bikini – but still he didn’t respond, so I turned with a sigh and started to walk out into the water. (TTPoMS 175)
It gets worse when Maxwell turns the last night of that holiday, a night that should have been magical and the beginning of a relationship, into sheer disaster. It is more than thirty years later that Maxwell accidentally reads a psychological report entitled “The Folded Photograph” that Alison had written shortly afterwards, and finally learns about Alison’s feelings for him: “Things between us could have been very different, if he hadn’t been so fixated on the idea of starting a fire that last evening at the campsite. That had been our great opportunity, and once it had passed, maybe there was no going back anyway” (TTPoMS 182). When, thirty years later, both of them finally meet again, Maxwell thinks that Alison still looks smashing, despite her age. This time, he is well aware of the fact that she still harbours some feelings for him, and when her husband turns out to be cheating on her, Maxwell even feels entitled to encourage these feelings. This retrieval of that so-called lost opportunity is now served upon a platter and all he has to do is reach out and grab it. It is not too late for them to start a relationship, there is still hope for them. As they drive back from the restaurant, Maxwell’s mind is racing:
Was it actually going to happen, more than thirty years after it should have happened? Was I going to sleep with Alison at last? Was I being offered one, final, redeeming chance? Part of me yearned for this resolution; another part of me started to panic, to look around for excuses. (TTPoMS 238)
How typical of him, indeed. And how typical of Jonathan Coe to give a powerful and beautiful description of Max and Alison finally making love, one of the finer passages in the novel. What follows is a fast-forward summary of how their relationship continues: Alison gets a divorce from her husband and moves into a house with Maxwell and her children, and they are perfectly happy. But there is something awkward about this description. Maxwell tells the reader how art is useless if everyone “lived in a state of perfect happiness” (TTPoMS 241), and how he doesn’t need to write about the rest of his fulfilling life together with Alison. The reason is, he goes on, quite simply, because none of that actually happened. In the next chapter, the entire love scene and summary of the rest of his life is torn away from the reader’s mind and replaced by a new version of the facts: what really happened.
It was too good to be true, after all, but unfortunately, Maxwell feels obliged to confess that none of this happened:
I never knew that making things up could be so satisfying. I did enjoy my little fantasy about Alison, and our night of passion, and our subsequent life together. For a while there it almost felt that I was back in her house, back in her bedroom, that it was really happening, instead of the awful, miserable, fucking predictable truth, which was this: That I stood there like a block of marble while she did her best to come on to me. (TTPoMS 242)
The same thing happened as more than thirty years ago. Alison making overtures and finally giving up when Maxwell, paralysed by some sort of supernatural inaction, does not seem to react. Still, she gives him one last chance: “I’ve got a feeling I’m wasting my time here, but just in case, Max, I’m going to leave my bedroom door open.” (TTPoMS 242) However, Maxwell is consequent in his inaction and never gets up the stairs. He only seems to regret this briefly afterwards and is certainly not left with a huge sense of lost opportunity, but this is only clear at the end of the novel, when the author offers an explanation for this inaction. The entire novel has been one big quest to one of the most important truths about Maxwell, something which he only realizes in the end, namely that he is attracted to men. In Benjamin’s case, however, no such explanation is offered, except for his complex and complicated nature. Still, however perverse this inaction or even counteraction might seem, it is also one of the defining characteristics of many people, for whom this feeling of lost opportunity, of intrinsic failure is an almost daily fact.
A similar thing happens in WaCU!. Central to this novel, there is Michael Owen’s fascination of – or rather, obsession with – a film he saw with his parents at the cinema when he was only nine. During a particular scene between Kenneth Connor and Shirley Eaton, Michael identifies so strongly with Kenneth that he feels that he is Kenneth in that scene. But it is precisely at this moment that his parents leave the cinema and firmly take him with them. The last thing little Michael can make out is that after a provoking request on the part of Shirley to stay the night in her bedroom, Kenneth somehow decides to leave. On the way back home, Michael is still struggling with this enigmatic decision: “I look at my mother and I’m on the point of asking her if she understands why Kenneth ran away instead of spending the night with a woman who would have made him feel safe and happy.” (WaCU! 42) It is only many years later that Michael is finally able to watch the entire film and find out what happened next. The following passage is quite similar to the behaviour of Benjamin and Maxwell: “As Shirley said this, Kenneth turned towards her and leaned closer. For a moment they seemed on the point of kissing. […] Kenneth turned away. He said: ‘Yes, it’s – quite a good plan, miss, but, well …’ He got up and began pacing again. ‘… I – we don’t know each other really very well…’ He made for the door.” (WaCU! 48) Kenneth/Michael “quickly sneak[s] out”, as if afraid of physical, or even emotional, contact, with this beautiful woman.
Michael gets to know Fiona, who lives in his apartment, and they start going out, without rushing things too much. That is in fact the least you can say about Michael, who seems to be much more at comfort on his own, in front of the television, than with anybody else. When Fiona visits him for the first time, Michael’s thoughts wander away, and he even unconsciously tries to “switch her off”: “She nodded at my hands. I had gone back to the armchair opposite her and without realizing it I had picked up the remote control for the video. It was pointed in her direction and my finger had strayed to the pause button.” ‘ I think I’d better go,’ she said, and stood up.” (WaCU! 58) Fortunately, he is conscious of this rather peculiar aspect of his behaviour and tries his best to change: “And now suddenly, sitting by myself with only the television’s dumb flickering to combat the darkness, it seemed ridiculous to me that I should prefer these blank, unresponsive images to the company of an attractive and intelligent woman.” (WaCU! 144) Slowly, a sort of intimate affection begins to grow, in as much as a lump in Fiona’s throat is getting bigger. Michael is able to offer a comfort for her. The chapter in which Fiona tells him about the lump, ends with these beautiful words: “I clung to her in silence and, closing my eyes to our reflection in the kitchen window, pictured a knot, made from the threads of her wordless fears and my famished longing, which would hold fast against the very worst that the future might throw at us”. (WaCU! 238) And indeed, the future did throw the very worst at them.
A better example of lost opportunity concerning Michael in WaCU!, and one that better resembles the case of Benjamin and Maxwell, is the growing intimacy between Michael and Joan, a girl he grew up with, less than ten years before he meets Fiona. In June 1982, Michael travels to Sheffield to spend some days at Joan’s place, which she shares with two students named Graham and Phoebe. The fact that she still has a photograph they have taken many years ago, might be a pointer for Michael that Joan is still smitten with him, but Michael chooses to ignore the fact (WaCU! 268). When he meets Joan at the station, it is another woman he is thinking of: “Certainly it was Alice I was thinking of when Joan loomed out of the waiting crowd at the station, her welcoming smile and eager, waving arms striking despondency into my heart in an instant” (WaCU! 273).
When Michael is home alone and he enters Joan’s bedroom, he notices a copy of the very magazine that featured one of his stories in a box on her bedside table. The next night, when he tries to fetch the copy from Joan’s room without waking her up, he walks in and finds her asleep in bed, bare-naked, with the duvet partly thrown off. As Michael gazes at her body, he knows that he has never seen one as beautiful as hers and, whenever he thinks back of that moment, he realizes “that those few guilty moments were among the most glorious, the most unlooked-for, the most thrilling of [his] life.” (WaCU! 294) Michael and Joan spend some time together and it becomes obvious to the reader how deep her feelings must still be for Michael.
On the final night, he goes back to Joan’s room and finds the door ajar and the curtains open again, just like the other night. As if Joan wants him to have a good look at her nude body, as if she wants him to be Peeping Tom, to assume the role of Thomas Winshaw, whose section follows the final chapter of June 1982, and not coincidentally so. As he stands there gazing at her, he realizes that he is not looking at her body anymore, but at her face, her “shockingly beautiful” (WaCU! 303) face. All of a sudden, she opens her eyes, smiles at him and invites him in. The passage concludes with the following lines: “How different my life might have been, how very different, if I had stepped into her room instead of slipping back into the darkness as quickly and as silently as a dream slips from the waking mind.” (WaCU! 303) The next morning, Michael travels back to London and buys his first video recorder, a symbolic event that marks the beginning of the loneliest chapter in his life.
In The House of Sleep, Robert is the character with the aura of failure, of lost opportunity. But contrary to Maxwell and to Michael, Robert is very much aware of his love for, his obsession of the woman he is destined to be with. Like Cicely is for Benjamin, Sarah becomes the center of Robert’s life, his Holy Grail, the girl he secretly writes poems about, the girl he is desperately in love with and for whom he would do anything – anything really – with no limits whatsoever, to conquer her heart. But Robert is out of luck. By the time he gets to know Sarah better, she is already in a serious relationship with Veronica, a girl she only recently met. These two young lovers share a novel, The House of Sleep by one Frank King, in which they leave behind short love messages for each other. To see both of them together, to listen to Sarah talk about Veronica, drives the frustrated Robert totally mad.
Yet, however special and intense Sarah and Veronica’s relationship is, it does not last. After a shattering break-up, Robert and Sarah end up at a party in Ashdown, both of them very drunk. Robert guides Sarah, who just had a fit, to Michèle’s room, and, out of the blue, Sarah asks Robert to go to bed with her. Robert is much astonished and tells her that that might not be such a good idea, to which the light in Sarah’s eye extinguishes, after which she disappears into the bedroom: “She said: ‘No,’ and the word hung between them in the darkness and the silence, final, irrevocable.” (THoS 231) Sarah leaves Robert standing there, indecisive whether to follow her or to go to his own room. “He turned, and stood bewildered again in the darkness, shivering, paralysed by indecision, clenching and unclenching his fists.” (THoS 232) He is uncertain whether or not Sarah is “standing on the other side of the door, leaning against it, listening to his own irresolute movements in the hallway” (THoS 232) and he imagines that he can hear her breathing. Robert reaches out his fist to knock on the door, but doesn’t after all. Then he goes back to his room, realizes what has just happened and goes totally mad. The realization comes as a shock, a sharp sting of poison, and he knows that this will haunt him for the rest of his life:
He stood up and immediately reeled, partly with drunkenness, partly with disbelief. The scene he had just acted out with Sarah seemed to defy comprehension: half of him wanted to erase it at once from memory, while the other half struggled to revive and dwell upon every detail. Had she really, really asked him to do that? And had he really refused? This will never happen again, he told himself. She will never ask you again. (THoS 233)
He tells himself to go back, but he staggers and falls to the floor, injuring himself. He thinks of all the poems he has written for her and wonders “[w]hat was the point of all that secret labour, that time-consuming, interiorized donkey-work, if, when the opportunity to act upon his desires was offered to him on a plate, he had neither the courage nor the presence of mind to seize it?” (THoS 234) All of a sudden, he feels the urge to write something – not a poem this time, but something else, something more tangible, something more true to what he really feels – and as his anger, his self-contempt, his, indeed, overwhelming, nauseating sense of lost opportunity eventually takes shape of two words, written on the bedroom wall – STUPID FUCK – he bangs his head against the wall, smears his blood all over it, and falls down on the bed. It is this passage that most strongly reveals and symbolizes this enormous feeling of lost opportunity to me.
The next morning, Sarah tells him that she just wanted to use him to hurt Veronica and that it would indeed have been a mistake. She also says that they can only be friends, nothing more, and, once again, Robert asks her if she is sure of her nature, of her sexuality, to which she replies that she is, but that, if things were different, they would have been perfect for each other, and that Robert’s twin sister would be an ideal partner for her. By now, the reader might suspect a possible turn of events here, since many textual clues have already lead up to Robert’s final decision, but this is a train of thought the reader might not want to continue, for it is outrageous, it is far-fetched and it would be preposterous. However, the unimaginable happens and Jonathan Coe manages to render it in a natural, credible way. Robert goes “one step further” (THoS 300) and thereby resorts to an ultimate leap of faith.
But when, many years later, he – or, more precisely, she – learns that Sarah is not gay, or at least not anymore, and that she has married, Robert – “unmanned” now, transformed into his fictional twin sister Cleo – breaks down again, finally realizing that this was it, that there is “no shadow of another meeting with her” (THoS 311). Robert has stepped out of the ordinary and has become a classical Overreacher, doing the impossible in order to attain… the once attainable, but now unattainable. He dramatically fails in his attempt to win her heart.
Yet, all is not lost, and after hearing Ruby giving him hints in her supposed sleep, Robert, or Cleo, travels to London to go and find Sarah. Ruby knows that they belong together, Robert knows that they belong together, the only thing the reader cannot possibly know is whether Sarah’s feelings for Robert will still be strong enough, whether she will be able to cope with the huge change Robert has undergone, only for her, whether even this gargantuan metamorphosis will eventually be enough for Robert to “earn her”. An open ending if ever there was one.
Books discussed
Coe, Jonathan. What a Carve Up!, 1994, London, Penguin Group, 1995.
Coe, Jonathan. The House of Sleep, 1998, London, Penguin Group, 2008.
Coe, Jonathan. The Rotters' Club, 2001, London, Penguin Group, 2008.
Coe, Jonathan. The Closed Circle, 2005, London, Penguin Group, 2008.
Coe, Jonathan, The Terrible Privacy of Maxwell Sim, 2010, London, Viking, 2010.


Here's another interesting article on Jonathan Coe's writing: http://mariapoeana.com/articles-reviews/5-books-that-make-jonathan-coe-a-great-writer

zaterdag 19 november 2011

Nieuwe singles

En jawel, enkele nieuwe opmerkelijke singles en videoclips deze maand...


Check ook:

Brett Anderson - Crash About to Happen
Kapitan Korsakov - Cancer
Kasabian - Rewired
Manchester Orchestra - Virgin
The Vaccines - Wetsuit
A Brand - For Blood
dEUS - Ghost
Dorothy's Room - This Dream Never Ends
Mastercab - Harbor
KMFDM - Krank
Steven Wilson - Postcard
The Black Keys - Lonely Boy
Joe Goddard feat. Valentina - Gabriel
Nneka - Soul Is Heavy
Elbow - Dear Friends
Admiral Freebee - Old Angel Midnight