vrijdag 26 september 2014

Bonsaipoëzie

Je liefde was een laken
Dat me warm hield
Maar te kort schoot.
Mijn lange tenen
Leden altijd kou.



Ze kraait 'yolo' en begraaft
Haar gezicht in een smartphone.
Ik zeg: De dag moet je plukken,
Voor ze overrijp, voor ze rot.
Ze kijkt naar mijn rimpels
En verklaart me voor zot.


En we feesten
Dit is plezier, dit is het leven
En we dansen
Dit is ons lijf, dit is bewegen
En we drinken
Dit is een nood, dit is vergeten
 En we neuken
Dit is genot, dit is een zegen

En als morgen de bom vallen moet,
Is mij dat om het even.


Muzeval
 
Het café weigert te verdrinken,
Geen lijdensweg, geen korte pijn.
We laten de glazen klinken,
En blijven waar we zijn.


Aan de pontonbrug
Spelen soldaten in het zand,
Eten we ijsjes aan het water.
En we vieren de vrede
Die nooit kwam, in een wens
Van nooit meer oorlog.
Je hoeft enkel de ogen te sluiten...




Ze hadden namen,
Nu slechts nabestaanden.
En een toekomst
Opgegaan in rook,
In een Gazacaust
Die niemand gelooft.


 Brokkenmalloot

 Ingezakt op de barkruk,
De handen roerloos, verslagen.
Het woud van lege glazen,
Het bierschuim op de lippen.
De rolluiken gesloten
Verhullen glazige ogen.

De slokdarm, door de drank gepest,
Gaat over tot zijn luid protest.

Hier komt brokken van!


Daar doolt een werkloze door het woud,
Knabbelend op een uitkering.
Richt je geweer en schiet dood! 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen