woensdag 16 oktober 2013

Two days of Coe

Jonathan Coe - 's werelds beste schrijver als je het mij vraagt en tevens een hertog van Redonda - is in het land en dat zullen we hebben geweten. Twee avonden lang organiseert Passa Porta een evenement dat rond een van zijn romans draait, op 15 oktober is er de boekbespreking van de klassieker The Rotters' Club en de dag nadien presenteert hij zijn nagelnieuwe roman Expo 58 in het Atomium.

The Rotters' Club is het eerste deel van Jonathan Coe's tweeluik over de familie en vriendenkring van ene Benjamin Trotter. Op 15 oktober komen Jonathan Coe, vijftien lezers en Steven Van Ammel samen in de boekenwinkel van Passa Porta om de roman te bespreken. Coe begint met het voorlezen van de eerste passage uit het eerste hoofdstuk, een huiselijk tafereel in de jaren zeventig waarin de familie Trotter knus bij elkaar in de woonkamer zit, elk met zijn of haar eigen bezigheden. Zo is Lois Trotter druk op zoek naar een vent en rollen haar ogen over de best hilarische zoekertjes. Het is zo dat ze uiteindelijk haar Hairy Guy leert kennen. Coe had dit fragment zelf al tien jaar niet meer gelezen!

Hij begon aan het verhaal in 1997 en in de lente van 2000, ongeveer rond de periode waarin deel 2 The Closed Circle zich afspeelt, was het boek af. Aanvankelijk wou de schrijver zes boeken schrijven, die elk een onderdeel zouden uitmaken van een gesloten cirkel, niet alleen thematisch maar ook als je de boeken effectief naast elkaar legt, zouden ze een cirkel vormen. Dat idee heeft hij uiteindelijk laten schieten, al blijft er vormelijk en thematisch wel nog iets van over. Beide boeken bevatten een hoofdstuk dat de naam draagt van een nummer van de High Llamas, en waar The Rotters' Club oplopende hoofdstuknummers heeft, lopen die van The Closed Circle dan weer af. Coe wou nog maar eens duidelijk zijn: het tweede boek is niet het vervolg op het eerste en beide romans moeten dus als één geheel worden beschouwd, zij het met een twintigtal jaren ertussen. Heel wat critici zagen het geheel trouwens als een soort van conceptboek en vergeleken het met de conceptalbums van de progrockbands waar Jonathan Coe - en personages Benjamin Trotter en Philip Chase - zo'n fan van zijn, al was dit zeker niet de bedoeling. De titel The Rotters' Club verwijst natuurlijk naar het gelijknamige album van Hatfield & The North, wat Steven Van Ammel verschrikkelijke muziek vindt.

Eigenlijk begon Jonathan Coe al in zijn tienerjaren te schrijven aan een verhaal dat zich op zijn school afspeelt. Geen letter is hiervan in The Rotters' Club beland en het werk heeft de tijd niet overleefd, maar in de jaren negentig kwam Coe dus weer op dit idee. Tevens was er eind jaren '90 even een seventies revival in het Verenigd Koninkrijk, al vroeg Coe zich toen af of dit net geen schaduw zou werpen over zijn roman.

Gaandeweg in de interactieve boekbespreking, met veel inbreng van Steven en van de lezers, kwamen we enkele zaken te weten over de verhouding tussen Jonathan zelf en enkele van zijn personages. Benjamin Trotter is natuurlijk wie Jonathan Coe ongeveer was, terwijl Doug Anderton eerder de jongen was die hij had willen zijn. Voor Coe is Doug veel volwassener en veel bewuster over de politiek dan de best naïeve Benjamin. Jonathan luisterde erg veel naar progrock, terwijl ondertussen punk stevig in opmars was, zo ook op zijn school, waar er geregeld ruzie was over welke plaat mocht worden opgezet.

Ook al had Coe aanvankelijk niet de intentie, toch is The Rotters' Club een erg politiek boek. Nooit zijn de vakbonden zo machtig geweest als in de jaren zeventig in Engeland. Thatcher heeft dit alles met de grond gelijk gemaakt en Coe betreurt het dat veel mensen de schuld van Thatchers opkomst wijten aan de excessen van de vakbonden en wou met zijn roman deze pre-neoliberale periode dus veel positiever benaderen, om de mensen eraan te herinneren dat niet alles zo slecht was en dat er heel wat goede kanten aan de vakbonden waren zoals die zich toen manifesteerden. Dat doet hij door middel van het personage Bill Anderton, een vakbondsleider die een beetje als een held wordt afgeschilderd. Ondertussen lijkt deze periode bijna 'politiek exotisch' en er zijn nog heel wat mensen die hier met nostalgie aan terugdenken. Sinds Thatcher hebben de vakbonden nooit meer veel in de pap te brokken gehad. Andere onvermijdelijke politieke thema's van Groot-Brittannië eind jaren zeventig zijn het anti-Ierse klimaat (in de roman vooral op de werkvloer van de Longbridge fabriek) en de opkomst van het fascisme.

De film If blijkt een belangrijke invloed te zijn geweest op de roman, die niet alleen aanvankelijk niet politiek ging zijn maar ook niet als tienerroman bedoeld was. Toch vertellen enkele van de aanwezige Italiaanse lezers ons dat de roman een echte hit was onder Italiaanse jongeren. We gaan wat verder in op enkele specifieke aspecten van de roman en leren zo dat er heel wat semi-autobiografische elementen in de roman zitten: de crush op Cicely Boyd, het zwembroekincident... Ook wordt er even gegrapt dat het misschien geen toeval is dat het ettertje Paul Trotter in The Closed Circle een New Labour politicus wordt.

De twee passages die de meeste tegenstand kregen, waren het hoofdstuk dat zich in Skagen afspeelt en de laatste zin in het deel 'Green Coaster', dat trouwens de langste zin uit de Engelstalige literatuur is, een veertigtal pagina's telt en daarmee onder meer James Joyce ver achter zich laat. Zoals Steven Van Ammel het zag, was de passage in Denemarken een soort van enorme stilte na de gruwelijke storm die de lezer op het einde van het vorige hoofdstuk moest verwerken: de bomaanslag in het café waarin twee van zijn of haar ondertussen favoriete personages elkaar net ten huwelijk hadden gevraagd. Het nummer 'I Get a Kick Out Of You' leek Coe de perfecte soundtrack voor deze emotioneel geladen passage, die de lezer van de ene uiterste emotie in de andere stort. Voor de BBC-bewerking waren niet alle medewerkers aan de serie hier even tevreden over, maar uiteindelijk werd dit nummer toch gebruikt, aangezien de regisseur zo dicht mogelijk bij het boek wou blijven.
Een zeer interessante discussie was die over het door de pers vermeende vierde lid van de vriendenkring: Sean Harding. De meeste lezers zien de roman als het verhaal van Benjamin, Philip en Doug, mogelijk met Claire Newman als 'vierde musketier', maar Harding is zonder twijfel een buitenstaander. Deze clown doet al in de eerste roman vermoeden dat hij mogelijk extreem-rechtse sympathieën heeft, al lijkt het bijna altijd voor de grap te zijn. In de tweede roman wordt dit op nogal pijnlijke manier bevestigd. Een van de manieren waarop Harding zich als conservatief en als racist manifesteert is via zijn fictieve spreekbuis Arthur Pusey-Hamilton en diens satirische opiniestukjes in de Billboard, het schoolkrantje. Jonathan Coe kwam op het idee toen hij logeerde in een van de Landmark Trust gastverblijven in Engeland. Hij schreef zelf onder deze naam in de logboeken waarin gasten hun appreciatie kunnen neerpennen. Hardings fictieve schrijver is eigenlijk een soort van parodie op rechtse commentatoren die wekelijks in hun pen kruipen om een nieuw fenomeen in de maatschappij aan te klagen vanuit hun conservatieve schelp. Jonathan Coe was al van in het begin van plan om van Harding in de jaren 2000 een extreem-rechts boegbeeld te maken, maar nu vindt hij het misschien toch een tikkeltje jammer, want er zat meer in dat personage.

Naar het einde toe valt de vraag of er nog personages in latere romans zullen terugkomen. Benjamin Trotter is zeker een optie. Ook vermeldt Coe hoofdstuk nul van The Rotters' Club, dat over het einde van de Longbridge fabriek gaat, kort na haar vermeende redding. Het gaat nog even over de humor in Coe's romans, vaak vlak na zeer ontroerende of pijnlijke passages. De schrijver, die voor mij ook qua humor bij de top zit, praat over de lange traditie van satire en van humor in de Britse cultuurgeschiedenis en vermeldt enkele van zijn invloeden.

Na de bespreking praat ik nog even met hem na. Hij kent me nog van onze korte ontmoeting in Gent drie jaar geleden en van zijn online Messageboard, dat helaas wat minder actief is op het moment. Misschien, zei hij, moet ik Expo 58 lezen en er een interessante visie over posten, zodat er weer een literaire discussie kan worden aangewakkerd, of waarom vertaal ik niet een stuk van mijn eigen roman naar het Engels. Ook wil hij mijn thesis lezen, die over de karakterisering van Cicely Boyd in beide romans gaat.

Morgenavond volgt er alweer een zeer bijzonder evenement omtrent Jonathan Coe. Dan stelt de grootmeester zijn nieuwste roman Expo 58 - dat zich afspeelt op de Wereldtentoonstelling in 1958 in Brussel en dat zelfs op het einde een passage over Antwerpen heeft, jawel - voor IN het Atomium. Alweer iets om (nog kort) naar uit te kijken in elk geval!
De regen klettert tegen de blauw oplichtende bollen van het Atomium wanneer ik me de open vlakte van het parkeerterrein over haast, op weg naar beschutting in dit opmerkelijke 55 jaar oude bouwwerk. Jonathan Coe stelt er vanavond zijn nieuwste roman Expo 58 voor en er is werkelijk geen plek op aarde die daar geschikter voor is dan het Atomium zelf.

Het boek vertelt het verhaal van de Engelsman Thomas Foley, een bediende die op de Britse informatiedienst werkt en de speciale missie krijgt om op de Wereldtentoonstelling in Brussel een oogje in het zuil te gaan houden in de Britannia, de bar van het Britse paviljoen. We schrijven 1958 en de Koude Oorlog zit zowat op haar hoogtepunt. Het is dan ook geen verrassing dat het op het terrein wemelt van de spionnen. Zelf wordt Thomas ook geschaduwd door zijn eigen dienst. Twee mannen houden hem nauwgezet in de gaten om hem er voortdurend aan te herinneren dat Thomas zijn land moet dienen.

Na een korte introductie begint Annelies Beck uit de Nederlandse vertaling, die net af is, voor te lezen, waarna Coe in het Engels verder gaat. Het gaat om een zeer komische passage uit het hoofdstuk 'The British Are Part Of Europe', waarin Thomas Foley, James Gardner, Ilke Scheers en Roger Braintree aan tafel zitten. Hier wordt vooral de van nature eerder conservatieve Britishness op hilarische en speelse manier door het slijk gehaald, en komen ook de verschillen tussen de Continentale en de Britse manier van denken aan bod. Wat de roman ook zou uitstralen, is een aura van namaak, van ersatz. De Wereldtentoonstelling stapelde cliché op cliché om zo de bezoekers, naast een catalogus en blauwdruk van hoe de wereld er in de toekomst zou uitzien, ook een authentiek beeld te geven van elk deelnemend land, dit door zwaar te focussen op de cliché's die bij veel mensen in die tijd al tussen hun twee oren leefden. Duitsland werd dan wellicht een soort van pittoresk en sprookjesachtig Beieren, met alle schattige vakwerkhuisjes, café's met versierde uithangborden en tooghangers in traditionele klederdracht die de bierpullen vrolijk hoog de lucht in zwaaien. Eigenlijk moet het iets weg hebben gehad van Bokrijk, een vermeende tijdreis naar hoe Vlaanderen er 100 jaar geleden uit moet hebben gezien, met iedereen mooi verkleed in de toenmalige plunjes, maar met weggestopte gsm's en smartphones die elk moment de authentieke ruimte met ringtones kunnen vullen. Coe haalt kort een gelijkaardige anecdote aan van zijn bezoek aan een dergelijk openluchtmuseum in Aarhus.

Jonathan Coe was lange tijd artist in residence in Passa Porta en heeft gedurende die periode een groot stuk van zijn boek geschreven. Ook maakte hij ervan gebruik om de randgemeenten van Brussel te verkennen om zo meer over de streek te weten te komen. Het is dan ook een erg 'Belgische' roman, met heel wat historische feitjes en plaatsnamen, en het is duidelijk dat Coe zijn huiswerk heeft gemaakt. Tegelijkertijd gaat deze roman niet over België, dat dus niet. Het is volgens de schrijver zijn roman die het best omschrijft of refereert aan wat het is om Brits - of specifieker, Engels - te zijn. Dit boek gaat over een Engeland in de greep van de Koude Oorlog, waar klasseverschil en rolpatronen nog steeds het land grotendeels bepalen. En zeggen dat ook de koningin wel eens een wc moet benuttigen, kan al helemaal niet.

De toekomst zag er veelbelovend uit op deze Wereldtentoonstellingen. Alles wat nieuw of modern was, werd bejubeld en op handen gedragen. De Wereldtentoonstelling moest mensen met verstomming slaan, ze uitnodigen tot massaconsumptie, ze indoctrineren in de onstuimige passie voor vooruitgang, technologie en de toekomst. Met Expo 58 laat Coe zien dat de toekomst, ons heden, wel eventjes anders is uitgedraaid. In plaats van meer welvaart te creëren voor iedereen, is de kloof tussen rijk en arm alleen maar groter geworden. Elementen als klimaatsverandering, opwarming van de aarde, bevolkingsexplosie lagen nog niet op de tafel van de meest dringende problemen. Hoe snel de  tijden kunnen veranderen... De Wereldtentoonstelling bestaat trouwens nog steeds, maar is eigenlijk niet meer van deze tijd.
Na de voorstelling volgt een vragenronde en achteraf signeert Jonathan Coe nog enkele boeken. Binnen enkele dagen zal ik eindelijk in Expo 58 kunnen beginnen. Het is van Maxwell Sim geleden dat ik me nog op een van zijn werken heb gestort en eindelijk zal de honger naar meer worden gestild. Een groot deel van het plezier ligt in het uitkijken naar het moment dat ik het boek eindelijk kan openen en het beginnen verslinden. De nieuwste Coe is er en dat is een zeer belangrijke reden om te vieren! Dat deden we vanavond, in het Atomium, of all places. Heerlijke avond.

2 opmerkingen: