dinsdag 1 juli 2014

IJsland deel 3

Rondtrekken in IJsland 20 juni - 1 juli

Deel 3: Watervallen, gletsjers en vulkanen


29 juni 2014, onderweg van Skógar naar Reykjavik

De Eyjafjallajökull is de ondertussen wereldberoemde vulkaan die vier jaar geleden het hele luchtvaartverkeer in de war schopte. Zijn uitbarstingen worden vaak gelinkt aan de nabijgelegen en veel grotere Katla, die in 1918 voor het laatst uitbarstte en, aangezien dit elke zeventig jaar gebeurt, al lang weer lava had moeten spuwen. De effecten zullen voelbaar zijn tot in Europa en zullen veel groter zijn dan bij de Eyjafjallajökull in 2010. De vraag is alleen: wanneer? Want eigenlijk zit de vulkaan dus allesbehalve 'op schema'.
Meteen nadat we þórsmörk verlaten, gaat de weg supersteil de hoogte in, langs gevaarlijke, duizelingwekkende afgronden. We hebben een verbluffend zicht op de Mýrdalsjökull en horen zelfs stukken ijs afbreken en in de diepte storten. Dan moeten we de Morinsheiði over, een platte zwarte berg die wel eens Mordor wordt genoemd. En zo belanden we op de flank van de Eyjafjallajökull, waar we, naast een kleine waterval, een lichte vulkanische activiteit kunnen waarnemen (maar dat is doodnormaal in deze dosis). We passeren een monument voor drie trekkers die tientallen jaren geleden in ongemeen slecht weer terechtkwamen en het niet konden navertellen. Dan trekken we de top van de gletsjervulkaan over en bereiken we twee gloednieuwe heuvels, die vier jaar jong zijn, en dus gevormd werden bij de eruptie van de Eyjafjallajökull in 2010. De zwarte heuvels brengen een knap contrast met de alomtegenwoordige sneeuw.
We waden verder door deze 'David Lynch film', met voor zeer lange tijd slechts zwart en wit als kleuren. De woestijn krijgt iets hallucinants en de rotsen in de omgeving beginnen op een school orka's te lijken. Na enige tijd krijgt het landschap plots meer kleuren, en is er zicht op de oceaan. De zon breekt door de wolken en we krijgen prachtig weer. De grijze woestijn wordt stilaan groener. We volgen de Skógar rivier en krijgen de ene magnifieke waterval na de anderen, meer dan twintig in totaal! De afdaling naar de Skógar camping is erg moeilijk en duurt uren, maar de omgeving is om in te lijsten.
Op het einde wacht ons de indrukwekkende laatste waterval Skógafoss, een oorverdovende, witte waterreus van 62 meter hoog vlakbij de camping. Wanneer we de honderden metalen treden naar beneden volgen, kunnen we eindelijk - en voor de laatste maal - ons tentje opzetten. Na een erg laat diner wil ik nog niet gaan slapen - die wild in het rond vliegende scholeksters zijn toch veel te luidruchtig - en maak ik nog een middernachtwandeling (op klaarlichte nacht dus) naar de waterval. Als je dit wonder van de natuur heel dicht benadert, voel je je nederig en nietig. Na vier vermoeiende maar deugd doende dagen ga ik voor het laatst in ons tentje slapen. In totaal hebben we meer dan 80 km gewandeld, en samen met de kilometers van de eerste dagen moeten we op meer dan 100 km uitkomen. Daar mogen we trots op zijn!
Zondagmorgen waag ik me nog dichter bij de Skógafoss wanneer ik een Koreaans meisje onder een dubbele regenboog zie genieten van het uitzicht. Ze feliciteert me zodra ze hoort dat ik Belg ben. "Waarom?" Blijkt dat België Zuid-Korea en alle andere landen uit hun groep heeft verslagen en de heer en meester is van dat segment van het WK. Geen flauw idee wat er verder in België en de rest van de wereld is gebeurd, maar blijkbaar achtervolgt het WK me tot in de IJslandse natuur. We pakken alles in en een bus rijdt ons via de Ringweg naar de nabijgelegen gletsjer Sólheimajökull, een uitloper van de ijskoningin Mýrdalsjökull. We krijgen elk twee klimijzers aan onze voeten, een oranje helm en een pikhouweel en wandelen door deze gladde, interessante omgeving. De ijsvlakte heeft iets surrealistisch met al die grote zwarte ijskegels her en der verspreid over de gletsjer. We drinken van het zuivere en lekkere gletsjerwater en beklimmen een tien meter hoge ijskap. Dat gaat niet voor iedereen van een leien dakje. Halverwege mijn veel te trage klim (ik had mijn rugzak om een of andere reden nog aan) breekt een van mijn klimijzers in twee en moet ik weer naar beneden om het te laten maken. Bij poging twee laat ik mijn rugzak beneden en hak ik als een bezetene in het ijs met de twee houwelen die we kregen voor deze klim. Met hernieuwde energie hak ik me een weg naar de top. Daarna laat ik me via het koord naar beneden glijden. Weer een ervaring rijker!
Dat was het dan. De bus rijdt ons terug naar het hotel in Reykjavik (in de verte zien we de Westmaneilanden liggen en we rijden door het stadje Selfoss, met een grote kerk), onderweg naar de lang uitgestelde warme douche. Een week lang heb ik me niet gedoucht en moest ik steeds dezelfde kleren dragen, maar dat zal dus gauw verleden tijd zijn. We hadden een onvergetelijke week in het IJslandse hoogland maar nu is het tijd om terug te keren naar de beschaving. Nog anderhalve dag in IJsland en ook dat zit er weer op.

1 juli 2014, Reykjavik

Alweer een slapeloze nacht in Reykjavik - de laatste - en dan vlieg ik weer naar België. Eerst even terugblikken op de voorbije dertig uur.

Na een zeer duur maar overheerlijk afscheidsdiner in een tapasbar in Reykjavik (met slechts IJslandse kost: lam, vele vissoorten, kreeft, de dwergvinvis laat ik gewetenstrouw voor wat het is) is het tijd om afscheid te nemen. Gummi vertrekt niet zonder een 'survivalpakket' dat we voor zijn volgende trektochten in elkaar hebben gestoken. Iedereen vertrekt nu op verschillende tijdstippen, of het nu naar Canada, Duitsland of Australië is. Ik kuier met Noriko rond in de haven en op de Laugavegur komen we de sympathieke en uitbundige bende Italianen van in Álftavatn en hier en daar op de Laugavegur-trektocht weer tegen. We belanden in de Lebowskibar en ik bestel natuurlijk de enige echte Dude drink: een White Russian. Verdomd lekker spul. Man.
Na een goede nacht slapen ontbijt ik samen met Paul, waarna we hartelijk afscheid nemen. Op mijn laatste dag in IJsland neem ik Noriko op sleeptouw door de stad. Eerst varen we met de Puffin Express naar een kolonie papegaaiduikers. Het is ontroerend om te zien hoe bedrijvig deze schattige maar behoorlijk onhandige vogeltjes zijn. Vooral hun bek is erg opvallend en kleurrijk en lijkt bijna te groot voor de rest van het kleine, dikke lijfje. Of je ze nu ziet vliegen, wandelen of drijven, steeds lijkt er iets niet te kloppen. Naast honderden puffins (lundi in het IJslands, dus dit was de geknipte dag om ze te spotten), observeren we ook nog een zeekoet en enkele stormvogels en eidereenden.
Terug aan wal doen we het rustig aan. We doorkruisen de stad voor de zoveelste maal - Tjörnin, Domskirkjan, haven... - en stoppen af en toe in een koffiebar of souvenirwinkel. Voor de derde keer ga ik in dat overheerlijke Italiaanse restaurant eten. Terug in de lobby ontmoet ik reizigers uit Canada en Koeweit en drink ik IJslands bier met een Amerikaan en een Gentse! De bars sluiten om één uur tijdens de week, dus ik ga gauw nog een dure Stella drinken in de populaire Ob-la-di Ob-la-da Bar, waar zatte IJslanders te midden van Beatles foto's en schilderijen mijn geest vullen met hun dronkemansklap. Best amusant. Na één uur loopt heel jong Reykjavik weer stomdronken, de armen gevuld met flessen sterke drank en bier, door de Laugavegur. Of het nu vrijdagnacht of maandagavond is, glazen moeten en zullen sneuvelen.

En nu zit ik op een bankje op de Arnahóll, en onder het imposante beeld van Ingólfur Arnarson kijk ik uit over de stad die me zo vertrouwd is geworden, een half slapende plek die uitblaast in het milde licht van de nachtzon. De haven ligt er vredig bij. Kokmeeuwen maken hun nachtwandeling. De laatste dronkaards gaan slapen, omdat ze toch geen café meer zullen vinden dat open is. Om vier uur vannacht zal een bus me naar de luchthaven brengen en daar zal het hele IJslandse verhaal, mijn persoonlijke saga boordevol avontuur te midden van gletsjers en vulkanen, lavavelden en woestijnen, eindigen. Ik zal het missen, dit magische land, waar de zon nooit is gaan slapen, waar de landschappen je naar je keel grijpen en vulkanen steeds paraat staan, dit land van een verraderlijke schoonheid en een warme gastvrijheid. De trektocht is tot 100 km in totaal opgelopen en gezien de extreme landschapsveranderingen en het IJslandse klimaat, mogen we trots zijn op deze overwinning op de natuurelementen. Maar met een gids als Gummi is een meer dan geslaagde trektocht al op voorhand verzekerd. Vaarwel IJsland, hopelijk tot gauw! Er valt nog zoveel te ontdekken. Er schuilt nog zoveel schoonheid in deze magnifieke uithoek van Europa, in het midden van de oceaan.


IJsland deel 2

Rondtrekken in IJsland 20 juni - 1 juli



Deel 2: De Gouden Cirkel en Laugavegur

23 juni 2014, Langmannalaugur

Ondertussen heeft de groep de kans gekregen om elkaar wat te leren kennen en zitten we in een compleet andere setting, ver weg van de beschaving, in het IJslandse hoogland. Even de klok terugdraaien dus.
In de tweede namiddag van mijn 45 uur lange waaktoestand bezoek ik het Landnámssýningin, een tentoonstelling van de opgravingen van een Vikingboerderij van rond 871 na Christus. Het museum is rond deze overblijfselen gebouwd, is best interactief en geeft een goede impressie van Reykjavik in de negende eeuw, met enkele uitgestelde werktuigen, maar toch had ik meer van dit museum verwacht. Voorbij de Arnahóll ligt een indrukwekkend concertgebouw, dat wat aan een diamant doet denken. Het gebouw geeft een verbluffend uitzicht op de wilde natuur, die al aan de stadsrand van Reykjavik begint. Ontroerend mooi. Ik word er stil van.
Tegen de avond keer ik terug naar de hostel. Ik ontmoet er Lonneke en Beena, de eerste van veertien metgezellen. Onze begeleider is een dolenthousiaste en uiterst sympathieke IJslander genaamd Gummi. Wanneer iedereen is gearriveerd, houden we een vergadering en leren we elkaar wat beter kennen. Op Gummi en de wat oudere Engelsman Paul na, ben ik trouwens de enige man in het zeer vrouwelijke gezelschap. Terug naar het stadscentrum nu, meer bepaald naar de haven, waar we onze eerste maaltijd delen. Het is 21 juni en dus wordt de middernachtzon gevierd. Maar tegen middernacht lig ik al lang in mijn bed. Eindelijk... slaap! Wel hoor ik nog luid applaus van op straat. En zo heb ik deze traditie dan toch nog in zekere zin meegemaakt.
De volgende morgen brengt een busje ons ten zuidoosten van Reykjavik. We stoppen in de bergketen Hellisheiði, niet ver van het dorpje Hveragerði, en testen voor het eerst onze bottinnen uit in Reykjadalur, de 'Stomende Vallei'. Het is slechts 8 km (heen en terug) wandelen in deze vulkanische heide, waar de gapende muilen van kokend hete warmwaterbronnen de verrotte stank van zwavel in ons gezicht uitademen. Wulpen, scholeksters en tureluurs vliegen er rond je oren, en delen het prachtige landschap met grazende schapen. Een rivier baant zich een weg door deze betoverende vallei, wat resulteert in een knappe waterval. Iets verderop is de temperatuur van de warme rivier gewoonweg perfect. Slechts een klein deel van de groep trekt hun zwempak aan en doet zich tegoed aan IJslandse pasteitjes in dit natuurlijke bad. Aaaah, het decadente IJslandse leven. Vanaf dinsdag zal het helemaal anders worden en zullen we meer dan 80 kilometer in totaal afleggen, door het wilde, veeleisende landschap van de Fjallabak, maar eerst dus even volop genieten.
Terug in Reykjavik wandel ik doelloos rond. De zon is erdoor gekomen en zet de stad dus in een heel ander licht. En dan, in het midden van de Laugavegur, slaat het toeval toe en ontmoet ik een kennis uit België! We doen een babbel van ongeveer een uur en wanneer ik vervolgens het zonovergoten Tjörnin bereik, ontmoet ik Paul. We bewonderen de veerpracht van een eidereend en gaan daarna in hetzelfde Italiaanse restaurant dineren als waar ik vrijdagavond was geweest. Juist, ook op de Laugavegur. 's Avonds praat ik met de dames en heren van de Londense band Rum Buffalo, die die avond op het Solstice Festival spelen, en in de lobby van het hostel al wat oefenen.

De dag nadien bezoeken we de zeer toeristische Gouden Cirkel, die hoofdzakelijk uit drie onderdelen bestaat: Þingvellir, Geysir en Gulfoss. Het Þingvellir is de historische plaats waar de stamhoofden der Vikingen hun eerste vergaderingen hielden, wetten opstelden, geschillen beslechtten en handel voerden. Deze wieg van de IJslandse staat bevindt midden in een tektonische riftvallei, daar waar de Noord-Amerikaanse en de Eurazische platen steeds verder uit elkaar deinen. Het geheel bestaat uit een gigantische 'muur' met een pad erdoorheen, dit alles in een prachtig berglandschap dat tot nationaal park is uitgeroepen en op de UNESCO Werelderfgoedlijst staat. Het ligt aan het Þingvallavatn, het grootste meer van IJsland.
Na een bezoek aan het visitors center krijgen we, van op de rand van de Noord-Amerikaanse plaat een fantastisch uitzicht voorgeschoteld op het meer en de besneeuwde bergen. Een weg leidt ons, te midden van een toeristenstroom, langs indrukwekkende rotsformaties, naar de vergaderplaats in kwestie. Op de plek waar in 1944 de onafhankelijkheid werd verkondigd, prijkt een IJslandse vlag. Iets verderop bevindt zich de befaamde verdrinkingsvijver, aan een kleine waterval. Een naar boven hellend pad leidt ten slotte naar de Almannagjá, waar de rivier Öxará zich in een indrukwekkende waterval naar beneden stort. De rotsen langs beide kanten van de rivier dragen bij tot een erg idyllisch plaatje. Wanneer ons busje zijn weg vervolgt, krijgen we een knap uitzicht over het hele complex, en de vele toeristen die over de plaat lopen.

Aan de Bjarnfell liggen verschillende kokendhete geisers op ons te wachten, in een plaatsje dat Geysir wordt genoemd. Geysir zelf is amper nog actief en zien we dus niet 'aan het werk', maar Strokkur is nog erg actief en spuit zijn water 30 meter hoog de lucht in. Een prachtig schouwspel dat we zo'n tiental keren mogen meemaken! Dan is er nog Blesi, een tweelingbron met helder blauw water.
Tot slot is er Gullfoss, de 'Gouden Waterval', aan de Hvítá, de 'Witte Rivier', aan de rand van het IJslandse hoogland. Gullfoss is een van de meest impressionante watervallen van Europa. In de verte prijkt de op één na grootste gletsjer van IJsland: de Langjökull. Onderweg naar Langmannalaugur, onze eerste campingsite in het woeste gebergte, maken we nog twee stops. In het dorpje Flúðir roven we de plaatselijke vínbuðin leeg. Het wordt een zware week en we hebben alcohol nodig. Weer onderweg zien we in de verte de meest actieve vulkaan van IJsland liggen: de Hekla, die sinds 2000 niet meer is uitgebarsten. Flink zo.
Onze tweede stop is aan de Hjálparfoss, een erg idyllische waterval en een verzamelplaats voor vliegen, die je geen seconde met rust laten. Welkom in het IJslandse hoogland! Het is in deze buurt dat een belangrijke scène uit Game Of Thrones werd opgenomen. De bus zet zijn tocht verder, door desolate rotslandschappen en voorbij met groen-geel mos geschubde bergen. We betreden nu de Fjallabak, het land 'achter de bergen'.
Wanneer het busje de kamping van Landmannalaugur nadert, moeten we door twee vrij diepe plassen, wat de chauffeur met verve uitvoert. Het uitzicht is aan alle kanten werkelijk verbluffend. Overal zie je bergen en rotsen in de meest uiteenlopende vormen en kleuren, vaak met flanken die op haast artistieke wijze zijn bedekt met ijs en sneeuw. Het is een heel karwei om de zeven tenten op te zetten en te beschutten voor het zeer slechte weer dat er vannacht en morgen aankomt. Alle weersvoorspellingen zien er bedroevend slecht uit voor onze eerste nacht in het hoogland. Om zeker te zijn plaatsen Paul en ik, die een tent zullen delen, zware stenen op het zeil, aan alle kanten van onze tent. Toch zijn we er niet helemaal gerust in. Met IJslands slecht weer weet je nooit. Zeker ben je nooit hier in de bergen! Morgen gingen we normaal gezien rondtrekken, maar als het weer echt zo slecht wordt, is het beter om een warmwaterbron op te zoeken. De dagen nadien staat het Laugavegurpad op het programma - dat is niet die gelijknamige lange caféstraat in Reykjavik, maar wel een trektocht langs enkele van de meest prachtige landschappen die IJsland rijk is. Zo meteen dineren we in ons pas opgezette kamp hier te midden van al dat natuurschoon, ongerepte natuur waar je stil van wordt. Maar eerst ga ik hier nog mijn ogen de kost geven. Het weer is (voorlopig nog) perfect, ondanks de wind, en op onwezenlijk mooie plaatsen als Landmannalaugur kom je niet elke dag!


24 juni 2014, Landmannalaugur

Het is inderdaad zeer slecht weer geworden, met een sterke wind en heel veel regen, al had het veel erger gekund. Meer daarover straks. Gisterenavond zijn Paul, Ribana, Noriko, Ilva en ik nog in het nabijgelegen vulkanische ravijn Grænagil gaan wandelen. Je kan de zwavel zo ruiken in deze verbluffende, vulkanische pracht en praal. De stenen in het riviertje slaan alle kleuren uit, net zoals sommige van de obsidiaan- en riolietbergen die het ravijn omringen. Zo is er donkerblauw, okerbruin en zelfs bijna rood. Pronkstukje is de Brennisteinsalda, een veelkleurige berg die je nooit meer vergeet eens je hem hebt mogen aanschouwen. We wandelen een stukje in het ijs en tussen de scherpe rotspunten. Het is puur genieten van de schoonheid vóór het abominabele weer. Je voelt je hier erg nederig en waant je in Middel-Aarde.
Een van de leukste aspecten hier is de lavastroom, die iets weg heeft van een moeras. Een plankenpad leidt recht naar de warme bronnen, een idyllisch plekje om te gaan baden in de mengeling tussen ijs- en vulkanisch water. Te midden van de opborrelende zwavel zwemmen tureluurs, harlekijneenden en grauwe franjepoten.

's Nachts krijgen we heel wat regen en wind over ons heen en overdag wordt dat alleen nog erger. De Atlantische regen is ijskoud. Na een uitgebreid ontbijt doen we een kleine tocht. Eerst beklimmen we de blauwe rots Bláhnúkur, vanwaar het uitzicht schitterend is, maar waar de regen en de wind vrij spel hebben. Best een verkleumende uitdaging. Vervolgens trekken we weer door Grænagil, via steile hellingen en besneeuwde en bemoste lavavelden. Wanneer we langs een warmwaterbron lopen, slaat de rotte geur van brennistein ons weer in het gezicht. Ondanks onze beschermende kledij zijn we half doorweekt. Wanneer we het kamp weer bereiken, krijgt Gummi het nieuws dat de eettent van ons volgende kamp, dat van morgen, is 'ontploft' door het slechte weer! Hoe surrealistisch...
Nog de hele rest van de dag blijven we op de camping. Het waait nu zo hard dat we schrik krijgen voor de tenten. Morgen beginnen we aan het eigenlijke doel van de hele reis: een trektocht van vier dagen langs de Laugavegur, die loopt van Landmannalaugur tot þórsmörk. De eerste etappe zal ons naar een meer leiden, Álftavatn genaamd, waar onze volgende camping op ons wacht. Als perfecte afsluiter van ons tweedaaglijkse verblijf in Landmannalaugur gaan Ribana, Lonneke, Gummi, Gatti en ik nagenieten in de warmwaterbron. En met een pintje erbij lukt dat eens zo goed! Het weer is ietsjes verbeterd en ik kan me op dit moment geen betere omgeving bedenken om van 'een warm bad' te genieten dan hier in Landmannalaugur - het paradijs op aarde... als het weer meezit tenminste... Na een dag kou lijden in kledij die het vertikt om te drogen, is dit hemels. En nu de tent in want morgen is het vroeg dag en gaan we stevig stappen.


26 juni 2014, Botnar-Emstrur

De eerste etappe van de Laugavegur loopt aanvankelijk door een heel gemengd landschap: veelkleurige rotsen, gifgroen mos, lavavelden, stomende geulen, ijs- en sneeuwvlaktes, stevige hellingen, zwarte obsidiaanrotsen... - op heel korte tijd krijg je hier zeer veel afwisseling voorgeschoteld. We steken de Brennisteinsalda en de Hrafntinnusker over en belanden in een eindeloos sneeuwveld, wat de tocht niet vergemakkelijkt. We lunchen in een met rode en groene golfplaten gepantserde hut. Een Duits meisje zit op een stapelbeeld en lacht naar me. Ze houdt haar ogen gekluisterd op De Ondraaglijke Lichtheid Van het Bestaan van Kundera. Ze is haar groep ver vooruit in de tocht, want zij was gewoon veel sneller. Ze had deze literaire pauze dus wel verdiend, en wie ben ik om het tegendeel te beweren.
We vervolgen onze weg via sneeuwvlaktes en smeltende ijskappen. Beekjes zoeken hun weg de hellingen af langs veelkleurige stenen. Wanneer we een zwarte rots beklimmen, heeft de wind vrij spel. Soms loert het gevaar direct onder het ijs, want her en der gapen grote gaten onder de smeltende sneeuwlagen waarop we ons begeven. De afdaling naar Álftavatn heeft als decor een sprookjesachtig groen gletsjerdal. Het is aangenaam lopen over het zachte groene mos in dit buitenaards mooie landschap. Een van de mindere aspecten aan de tocht vind ik de river crossings. Tijdens de eerste dag doen we er twee, en vooral die op 4 km van Álftavatn is erg vervelend. In groepen van drie of vier vormen we kettingen om zo de stroming van de ijskoude bergrivier tegen te gaan, die we ofwel in sandalen ofwel in bottinnen zonder sokken oversteken. Die laatste 4 km in doorweekte bottinnen afleggen is dan ook geen pretje.
De hut en camping van Álftavatn liggen dus aan een meer. Enkel voor deze ene nacht moeten we niet in de tent slapen en krijgen we dus een hut. Iedereen slaapt heel dicht bij elkaar en natte kleren hangen te drogen over zowat elke vierkante centimeter van elke steunbalk. Onze volledige groep deelt het hutje met een zowat even grote groep van uitgelaten Italianen. Het zicht op het meer en de driehoekige bergen aan de horizon is fantastisch. Het is nagenieten van een stevige dag klimmen en dalen, met mooi weer. In totaal hebben we 24 km afgelegd en zijn we 900 m de hoogte in gegaan. De tweede dag begint met regen, maar we zullen maar een dikke 15 km afleggen, met amper hoogteverschillen.
We vervolgen onze tocht door de groene vallei en moeten al meteen twee bergriviertjes blootsvoets doortrekken. Het ijskoude water springt met gemak over de pijngrens. Een stevig gebouwde houten brug brengt ons over de Kaldaklofskvísl, maar dan is er de beruchte Bláfjallakvísl, waar we in ons ondergoed moeten door waden. Plots slaat het landschap weer helemaal om en doorkruisen we een zwarte woestijn met aan elke horizon sublieme besneeuwde groene rotsformaties in verschillende vormen, en een spectaculair zicht op de gletsjer. We moeten nog enkele riviertjes oversteken, maar deze keer springen we gewoon van steen tot steen. De woeste rivier Innri-Emstruá stort zich in een krachtige waterval de diepte in, maar gelukkig gaat er een brug over. We krijgen nog meer piramidevormige groene heuvels voorgeschoteld, en in de verte loert de beruchte gletsjervulkaar Eyjafjallajökull. De hut en camping van Botnar-Emstrur ligt aan de gletsjer Entujökull, een uitloper van de gigantische Mýrdalsjökull. Daar blazen we nu uit na twee dagen stevig rondtrekken, met zo meteen alweer een uitstekende maaltijd en een avondpanorama om van te smullen. Morgen, vrijdag, deel drie van deze waanzinnige mooie route, de Laugavegur.


27 juni 2014, þórsmörk

Een paadje leidt van het kamp in Botnar-Emstrur naar het ravijn Markarfljótsgljúfur - nog zo'n tongbreker - en het uitzicht op deze canyon, waar Noordse stormvogels nesten, is adembenemend en verrassend kleurrijk.

De volgende morgen krijgen we te maken met het derde en laatste deel van de Laugavegur en komen we de rivier Markarfljót nog enkele keren tegen. We steken de Emstrúakloof over en krijgen een schitterend zicht op de gletsjer. Vervolgens trekken we door een grijze heide, bij zeer mooi weer. Via een brug steken we de Ljósá over, waarna de omgeving steeds groener wordt, met steeds meer struiken en zelfs een berkenbos en kleurrijke bloemen. Na enkele dagen geen dieren te zien in het desolate landschap dat we zijn doorgetrokken, is het gezinnetje goudplevieren een welkome afwisseling. Waanzinnig mooie panorama's volgen elkaar op en wanneer we arriveren op de camping van Langidalur, denken we even dat we onze bestemming hebben bereikt. Niet dus! We moeten nog een ietwat saaie stenenvlakte door die naar þórsmörk leidt, het eindpunt van de Laugavegur. Iedereen is zeer vermoeid en is blij met deze gezellige camping. Morgen doen we de route van þórsmörk naar Skógar, over gletsjers en tussen vulkanen.

Het is hier in þórsmörk dat ik eindelijk, na vijf dagen, mijn haar heb kunnen wassen, al was dat met ijskoud water. Een douche is er nog steeds niet van gekomen. Op drie dagen Laugavegur hebben we zowat alle vier de seizoenen over ons heen gekregen, en sinds ons vertrek in Álftavatn gisterenmorgen heeft het niet meer geregend. Vandaag was er zelfs veel zon. Het landschap is heel vaak op drastische wijze veranderd, en dat zal ook morgen het geval zijn, op onze laatste dag rondtrekken door IJsland - en het zal een moeilijke bevalling worden.

IJsland deel 1

Rondtrekken in IJsland 20 juni - 1 juli

Deel 1: 40 uur wakker in Reykjavik


20 juni 2014, haven Reykjavik

Na tien jaar bijna uitsluitend voor citytrips en cultuurreizen gaan, was het eens tijd voor iets anders. Ik had nood aan wat avontuur, natuur en vooral een land dat de verbeelding tart, dat een meer pure en blijvende indruk zou nalaten dan de andere landen die ik al heb bezocht. IJsland leek me daarvoor meer dan geschikt.

Tien dagen lang zal ik in een internationale groep door de wilde, ongerepte natuur van IJsland trekken, meer bepaald het zuidwesten van dit tot de verbeelding sprekende eiland, maar eerst verken ik op mijn eentje de meest noordelijke hoofdstad van de planeet: Reykjavik.

En daar zit ik nu, twee uur nadat een volle pendelbus ons na een rit langs de oceaan en door vulkanische velden, aan het station afzette. Meteen word ik verwelkomd door motregen - het is dan ook een grauwe dag - en de toren van de grijze Hallgrímskirkja, een moderne religieuze kolos. Een eerste wandeling gidst me door het centrum van Reykjavik, dat erg klein en nederig overkomt. Een meertje, Tjörnin genaamd, biedt een mooi zicht op het stadhuis en op een vogeleilandje, en aan de Fríkirkjan ligt een gezellig parkje met kleurrijk paviljoen. De meest levendige straten zijn de Austurstræti, de Aðalstræti (trouwens de oudste straat van Reykjavik) en de Hafnarstræti. Hét centrale punt is de Lækjartorg, daarnet nog relatief kalm maar straks druk bevolkt met jongeren die het weekend feestelijk inzetten. In de Austurstræti, waar je de staatsdrankwinkel vindt, probeert een straatmuzikant tevergeefs voorbijgangers Queen’s ‘We Will Rock You’ te laten meebrullen. Op het rustige Austurvöllur val ik bijna van mijn bankje van verbazing wanneer twee IJslandse twintigers me vertellen dat ik naar de historische kathedraal en het parlementsgebouw van IJsland sta te kijken. De Dómkirkjan en het Altingshúsið maken inderdaad een bijzonder nederige indruk. Op dat laatste gebouw prijkt nog steeds de Deense kroon. De IJslanders moesten dan ook tot 1944 op hun uiteindelijke complete onafhankelijkheid wachten. De twee heren ontkrachten ook enkele typische IJslandse mythes. Het is niet zo dat kraantjeswater ongezond is, integendeel. Elk gerucht daarover is in gang gezet door mensen die er alle belang bij hebben dat er veel flesjes water over de toonbank gaan. Dat IJsland zoveel beter uit de crisis is gekomen omdat ze de schuldige bankiers meteen achter slot en grendel hebben gezet, is ook een fabeltje. Het is ook geen land vrij van corruptie. Die valse cijfers komen van de overheid zélf. Oorspronkelijk vond je geen enkele boom in IJsland en nu nog is het land erg kaal. Alle bomen die je ziet, zijn door de IJslanders zelf geplant.


Ik spot iets verderop nog het oudste huis van Reykjavik en er vlak tegenover Ingólfur Arnarsons zoetwaterbron. Deze wijk, aan de Aðalstræti en de Hafnarstræti, is de centrale plek voor bars en restaurants. De houten huisjes zijn bedekt met golfplaten in felle kleuren, maar meestal rood. Noemenswaardig is nog het opmerkelijke Fálkahúsið. Ik neem de Tryggvagata, passeer het lelijke Tollhusið, met de indrukwekkende mozaïek, en beland zo op dit bankje aan de haven, waar een oceaanbriesje me stilaan is aan het verkleumen. Ik zit vlakbij een donkergroene locomotief en tuur naar de vele boten en bergen in de verte. De grijze lucht geeft het uitzicht iets mistroostigs. Tijd om enkele infoborden over de scheepvaart te bekijken en mijn stadswandeling te hervatten.


20 juni 2014, Reykjavik

We zijn heel wat uren verder, het is laat in de avond, maar nog steeds licht. En dat gaat ook zo blijven. Ik heb geen slaapplaats en als ik heel de nacht op ga willen blijven, zal het 24/24 zonlicht me daarbij helpen. Het zal heen heel vreemd effect geven, vooral ook omdat ik omwille van de vlucht nog eens twee uur gratis en voor niets erbij heb gekregen. Nu zit ik in de herberg waar ik binnen 24 uur de rest van de groep voor het eerst zal ontmoeten. Gezellige keet maar er is geen bed meer vrij voor deze 'nacht'. Op tv is de voetbalmatch voorbij en nu zit ik in het gezelschap van enkele andere reizigers, met de muziek van Of Monsters and Men op de achtergrond, dit te schrijven. Ik heb al negen uur niets gegeten en misschien moet ik daar eens verandering in brengen. Straks.

Ik heb nog heel wat afgewandeld, vooral rond het meer, met zijn vele zwanen, ganzen en eenden. Ik kuier langs de oevers, voorbij het interessante moderne stadhuis, dat een gigantisch topografisch model van IJsland herbergt. Die gletsjers! Zwermen van miljoenen muggen suizen boven de met sculpturen bevolkte paadjes. Af en toe vliegt er een Noordse stern voorbij. Langs de westkant van het Tjörnin heb ik een mooi zicht op de Hallgrímskirkja en de slanke Fríkirkjan. Ik ga tot aan het Noords Huis, aan de kleine luchthaven voor binnenlandse vluchten, en zak vervolgens weer af naar de binnenstad.
Nog steeds gepakt en gezakt (de grootste rugzak ligt ondertussen hier in de herberg, dus daar ben ik nu voor 24 uur van verlost) beklim ik de Arnahóll, een heuvel waarop het standbeeld van Ingólfur Arnarson, de eerste kolonist van IJsland, prijkt. Vervolgens beland ik in de Laugavegur, een straat naar mijn hart, boordevol bars en restaurants, maar ook clichématige toeristenshops met knuffels van Vikingen, papegaaiduikers en ijsberen. In een eivolle Lebowskibar vang ik flarden op van de match waarin Frankrijk Zwitserland met de grond gelijk maakt. Nu de wedstrijd voorbij is, zou ik er eigenlijk een White Russian moeten gaan drinken. Erg grappige bar, met heel wat foto's uit de film 'The Big Lebowski' en knipoogjes naar de kenners en fanaten.

Voor ik hierheen kwam, zakte ik nog even af naar de haven. Aan het iconische beeld Sólfar (De Zonnevaarder, een moderne weergave van een Vikingschip), zet ik me te midden van mijn rugzakken neer om van het mistige uitzicht te genieten. Het ingebakken gevoel dat binnen het uur de duisternis deze baai zal overvallen, bekruipt me, maar dat gaat dus niet gebeuren. Ik ben al moe, maar net als de dag het duister met succes zal bekampen, ga ik hetzelfde pogen te doen met de slaap. En dan nu: etenstijd!


21 juni 2014, Reykjavik

De nacht is gepasseerd. Donkerder dan een soort van licht schemergrijs is het niet geworden. Na een late maaltijd begin ik de hele stad rond te zwerven. Eerst naar de indrukwekkende Hallgrímskirkja, die ondanks het uitblijven van de duisternis iets spookachtigs heeft. Het is ook heel vreemd allemaal. Het voelt aan als nacht. En toch. Het bouwwerk is verlicht, auto's rijden met de koplampen aan, lantaarnpalen blijven dan weer gedoofd. Katten zwerven talrijk rond. Ik kom uit op een klein natuurreservaat, niet ver van het Tjörnin. Ik zet me op het bankje met het beeld van dichter Tómas Guðmundsson en schrijf zelf een gedicht, geïnspireerd door de nachtelijke taferelen aan het water. Terug in de uitgaansbuurt versmelt ik met mijn omgeving. Straatartiesten blijven muziek maken. Iedereen is luid, dronken en opvallend goed gekleed. Een jonge vrouw deelt aan voorbijgangers flesjes water uit, als bewustmakingscampagne. Nochtans kost het bier hier stukken van mensen. Voor mijn Víkingbier leg ik 900 IJslandse kronen neer in Dillons. Andrea Jónsdóttir, de oudste dj van het land, draait er vrolijk de funky en rock'n'roll plaatjes aan elkaar. Ze is zo'n zeventig jaar oud en zeer cool, en gebruikt een vergrootglas om de titels van de cd-hoesjes te kunnen lezen. Ik leer enkele IJslandse en Canadese dames kennen en het wordt nog een stevig feestje met muziek die steeds meer naar metal neigt. De laatste uren van de 'nacht' ben ik weer op mezelf aangewezen en kuier ik rond in de haven en de binnenstad. De fancy Laugavegur is zonder overdrijven in een puinhoop veranderd. Overal ligt er afval en gebroken glas. Op de Lækjartorg smult een spreeuw van een plasje braaksel. Een man houdt halte, neemt zijn sigaret uit de mond, braakt, steekt de sigaret terug en vervolgt zijn weg.
Aan de haven valt geen levende ziel te bespeuren. Het is zeven uur en alles is bijzonder rustig. Twee uur later bezoek ik het walviscentrum en vervolgens varen we uit, de baai in, op zoek naar walvissen en dolfijnen, net als ik zes jaar geleden in Boston deed. We spotten een hele hoop dwergvinvissen, steeds op een vijftigtal meter afstand. Verder merken we een uitgebreid gamma aan zeevogels op: kleine jager, Noordse stormvogel, zeekoet, papegaaiduiker, drieteenmeeuw, Jan van Gent, Noordse stern, grote mantelmeeuw enzovoort. Best indrukwekkend, maar in vergelijking met mijn ervaring in Boston is dit toch de mindere van de twee. Ook ben ik te licht gekleed, waardoor de Atlantische koude lucht vrij spel heeft op mijn lichaam, dat steeds meer in een ijspilaar verandert. Maar het is een boeiende en leerrijke ervaring, dat zeker. Zes jaar geleden is IJsland 180 graden gedraaid in hun beleid ten opzichte van de walvisvangst en, hoewel slechts één percent van de IJslanders meent regelmatig walvis te eten, is het nu perfect legaal om die brave zeezoogdieren naar de andere wereld te helpen. Alle heil moet dus van de toeristen komen, dus eet vooral nooit walvis!
Na de ijskoude boottocht wandel ik naar die witte baken die tijdens onze voormiddag op zee nooit van de horizon is verdwenen: de kathedraal Hallgrímskirkja. Erg sober wit interieur maar met massief orgel. De lift brengt me bijna helemaal naar boven en het uitzicht op al die schattige huisjes en de wijde omgeving van Reykjavik mag er zijn! En nu zit ik dus weer in de herberg waar ik vanavond de groep zal ontmoeten. Ik ben meer dan dertig uur wakker, maar na al die energiedrank en koffie voel ik me daar niet eens heel belabberd bij. En nu gaan we wat chillen en misschien een museum bezoeken.

donderdag 19 juni 2014

World Cup 2014

Favelaleed
Buitenspel
In de blinde
Lens van de
Mediastorm
Alle ogen
Op Brazilië
De duivels
Kampioen
Geen brood
Wel spelen
Een passie(f)
Om te delen

woensdag 11 juni 2014

Schaduwrijk

Spijt glijdt van het wandtapijt,
Vindt geen zandloper, geen exit,
Raakt oververhit in dit schemersalon
Waar de nacht niet welkom is
Zolang mijn geest niet afgesloten.

Turend in de spiegel boort
De reflectie zijn ijzige blik
In het oog van de camera.
De lens registreert vage schimmen
Wil ze omvatten, omsluiten,
Opsluiten in een eeuwig vlies,
In een blijvend verkeren.

Maar de dood laat zich niet vangen
En ik voel het oppervlak
Met koude vingers verder af,
Wil ontsnappen aan alles wat
Me terug in het verleden zuigt.
Mijn wijsvinger drukt door het glas,
Vloeibaar en veilig, een capitulatie
Van densiteit, van fysica,
Van al wat zeker en onbetwistbaar,
En mijn ticket naar het rijk der dromen.

De nacht slokt me op,
Met gulzige aversie,
En ik stap binnen in
De ongastvrije wereld
Van haar weg ebbende ziel.
Ik vraag kom je terug
Kom terug naar
Naar waar?
Naar lege kamers
En blanco bedden?
Naar nachten verankerd
In zengende gedachten,
In zwijgend sterven?
Naar de hel?
Moet ik terug naar de hel?
Spiegels kennen geen geheimen
Voor wie ze kan tarten,
En de rol van de dromer
Is om het lot te aanvaarden
Dat de nacht voor hem heeft weggelegd.

In deze wereld van schimmen,
Van chimères en godinnen
Ben ik meer op mijn plaats
Dan in de armen van een poëet.
Kijk over je schouder
En beschrijf wat je ziet.
Het is je kamer, verlaten en vergeten.
Dit is jouw wereld niet.
Die is aan de andere kant van de spiegel,
In het rijk der blinden en dwazen,
Nostalgisch naar een tijd waarin
De waan van de vrije keuze
Als een mistgordijn
Het fatum vertroebelde.
Maar nu is het te laat
En jij moet hier ver vandaan,
Terug naar je eenzaamheid,
Terug naar de spijt die blijft
Snijden als de vlijmscherpe tijd.

En de reflectie die dagelijks
Naar je grijnst nog voor
Je eerste kop koffie, laat
Geen splinter van twijfel heel.
Het is je toekomst noch verleden,
Maar de geest van de hypothese,
Doodgelukkig hier met mij
In het schaduwrijk der dromen,
Van fictie en leugen,
En al wat had kunnen zijn.


Net als al mijn andere gedichten staat ook deze te lezen op Azertyfactor.

dinsdag 10 juni 2014

R.I.P. Rik Mayall

Sad times... Een van Engelands meest begaafde en meest hilarische acteurs en komieken is gisteren in Londen overleden. Rik Mayall schitterde in bijzonder grappige series als The Young Ones, Bottom, Filthy, Rich & Catflap, The New Statesman, Believe Nothing en natuurlijk Blackadder.
Adrian Edmondson zal zijn young Sonny Jim old fella-me-lad matey-skip me old pal from the briny missen. Wie moet hij nu een welgemikte trap in de radijzen verkopen? Ook de Blackadder cast treurt bij het heengaan van de excentrieke Lord Flashheart, bij wie het lange wachten in de loopgraven altijd een feest was. En wat zijn de drie nozems uit The Young Ones zonder hun politiek correcte etter Rick?

In the name of Greek buggery, we'll miss you, you bloody bastard!
Night night, Rik, sleep tight, hope the bed bugs do not bite.
If they do, do a poo, put it in the Cornish stew.
Into the ambulance, dream dream dream, fish trousers elephant in Peking.
Saw a busy bee, tiddle diddle dee, daddy's an accountant just like me.

zondag 8 juni 2014

Slotakkoord

Dit is het 'zustergedicht' van het vier maanden oudere Samenspel, allebei geschreven in de Gentse jazzbar Club Reserva, daar moet iets in de lucht hangen. De vele instrumenten die het interieur decoreren, geven beide gedichten in elk geval een muzikale noot.

In oktober 2014 breng ik beide gedichten op de Gentse Sprekende Ezels in de legendarische Hotsy-Totsy, en dat kan je hier bekijken.

Wij defecte harten
Snakken naar wat ons nog bindt,
Maar geen schop krijgt de motor in gang.
Wij uithangborden zijn zelfs dat niet meer
Na verkwisting van hoopvolle dwang.
Nu de vlam gedoofd en het hoogtij bezweken,
Rest ons niets dan een vurig vaarwel.
Consumptie van lust als fantoompijn van toortsen,
De zwaan en haar talmende zang.