Vorig jaar geen Live /s Live, dit jaar ging het festival voor drie 'larger-than-live' headliners voorafgegaan door een boeiend dagprogramma. Dat is niet helemaal gelukt, want net als mijn dag op Best Kept Secret kreeg ook Live /s Live te kampen met annulaties, waarvoor matige vervangers werden gevonden. Zo zag de dag van Nick Cave er zonder Lykke Li en Anna von Hausswolff toch een pak minder interessant uit. De vier concerten die toch nog onze aandacht trokken, maakten echter heel veel goed. Op het einde van de rit was er de wilde god Nick Cave. Ik was hem een slordige tien jaar lang wat kwijt en had hem al heel wat albums lang niet meer live gezien, maar in de dagen die het festival vooraf gingen, voelde ik al een bekering opborrelen.
Tom Pintens zong het al: "Er is Das Pop." Al moesten we het lang zonder deze fijne band onder leiding van Bent Van Looy stellen. Leuk was dat, gezien de zanger ook de presentator van dienst was, hij zichzelf moest aankondigen. Natuurlijk is bijlange niet elk nummer van Das Pop even interessant. In de loop van de jaren is mijn aandacht niet zelden verslapt. Met het flauwe 'Never Get Enough', destijds best een hit, uit de weg kregen we nog ouder werk met het aanstekelijke 'The Love Program' - Das Pop is op z'n best wanneer er elektronica aan te pas komt. Van 'The Game', meer richting Depeche Mode en consoorten, kregen we een ijzersterke liveversie, vol vuur. Ook het nieuwe werk mocht er zijn, zoals het catchy 'Different Class' en het bijna dreigende 'Slow Motion Soul', waarvoor Roos Rebergen zich bij de band voegde voor een verrassend duet. Het nummer had een samenwerking tussen Damon Albarn en Alex Turner kunnen zijn ten tijde van AM. 'You' blijft hun beste nummer en pakte weer heel ontroerend uit. Van een Belpopklassieker gesproken. We wisten het zelf niet maar eigenlijk hadden we Das Pop best wel gemist. Van de Engelse countryzangeres Beth Orton hadden we nog nooit gehoord, maar dat zal vooral aan ons liggen. Het is een genre dat me eigenlijk helemaal niet ligt, en dat geldt ook voor haar stemgeluid, waar ik me niet kon over zetten. Hoewel het concert z'n momenten had, zakte het vooral weg in de hete zondagnamiddag. Er waren andere artiesten waar we reikhalzend naar uitkeken.
Zo was er Benjamin Clementine, die in de Tennies best een fenomeen was en die ik destijds nooit live was gaan zien. De Londense zanger zette zich volledig in het zwart gekleed, achter een hagelwitte piano. Grote witte doeken waaiden boven zijn hoofd en riepen het beeld op van een ruime zolderkamer met alle ramen open, waar we allen samenkomen voor een pianosessie. Zijn stem is klok, zijn vingers vlug, zijn klassiekers sterk. Nummers als 'Condolence', 'I Won't Complain' en 'London' gaan werkelijk door merg en been, en af en toe moest ik zelfs een traantje wegpinken. Wat een virtuoos. We kregen nog een bisronde met onder meer 'Cornerstone'. En voor we het wisten, zongen we meer dan 50 keer na elkaar het mantra, "Nothing is final. Everything is gonna be fine", mee. Een best lange zitting en beproeving, but I won't complain. Het miste z'n cathartische effect niet. Bij momenten even bombastisch was de show van Eefje De Visser, met een professionele band, een meeslepende choreografie en knappe visuals. Alleen heeft haar zweverige synthpop zo weinig weerhaakjes dat haar concert een al te vrijblijvende namiddagsnack werd. Hits als 'Onomkeerbaar' en 'Vlammen' hebben te weinig vlees om echt de honger te stillen. Ook dat is smaak, want Eefje De Visser is natuurlijk een behoorlijke ster in De Lage Landen. Voor mij was het echter wachten op een van de meest bijzondere gitaristen uit de rockgeschiedenis.
Johnny Marr was ik die voormiddag al tegengekomen op een bankje in de Sint-Andrieswijk - instant starstruck. Ik zag de man in een ver verleden al eens de gitaarpartijen van The Cribs voor zijn rekening nemen op Pukkelpop maar nooit zag ik hem met zijn band. De legendarische gitarist van The Smiths had natuurlijk enkele oude hits bij, zoals 'This Charming Man' en het ontwapenende 'Please, Please, Please Let Me Get What I Want', maar ook zijn eigen werk ging er vlotjes in. We dansten op 'Armatopia' en 'Spirit Power and Soul', wiegden heen en weer op het innemende 'Walk Into the Sea' en brulden mee met 'Easy Money'. Marrs kenmerkende gitaargeluid is ook een zegen in zjin solowerk. Al moeten we af en toe ook aan The Rolling Stones denken, een duidelijke invloed. Reuzen staan op de schouders van reuzen staan op de schouders van... Toen de sympathieke Ierse Manc 'The Passenger' van Iggy Pop inzette, kreeg de festivalweide iets van een karaokebar. Nooit werd de sfeer uitbundig - het blijft een Belgisch publiek - maar met indieklassiekers 'How Soon Is Now' en 'There Is a Light That Never Goes Out', kweekten we kippenvel als mycelium. Wat een onverwoestbare songs. Bij het beste wat de jaren tachtig hebben voortgebracht, dankzij de niet voor de hand liggende en ondertussen onherstelbare magie tussen Morrissey en Marr. Dit was grand cru.
13 jaar lang moest ik het zonder een concert van Nick Cave & The Bad Seeds stellen en heel erg vond ik dat niet. Dat het hoog tijd was om een van de beste livebands nog eens te beleven. De ondertussen 69-jarige Australiër smeet zich letterlijk tegen het gretige publiek aan. Hij schreeuwde, danste, stampte, sprong, meedogenloos, genereus, van woede, van vreugde, van pijn. Zijn veelkoppige band The Bad Seeds, inclusief gospelkoor, moest niet voor hem onderdoen. Een Warren Ellis ging voor niets minder dan de totale overgave. Zo geselde hij zijn viool zo fel met zijn strijkstok dat de snaren sproken. He's a ghost. He's a god. He's a man. He's a guru. Zoals bij elke show werd het een kwestie van schoppen en zalven, een wilde god die het volk ment, en duizenden volgelingen die uit zijn hand eten. Het concert begon al meteen met een woeste intensiteit, en oude sloophamers als 'Get Ready For Love' en 'From Her To Eternity'. Met 'O Children' ging de band voor loutering, met 'Wild God' voor extase. BRING. YOUR. SPIRIT. DOWN. Het zal wel zijn. 'Tupelo' was een sinistere dans met een storm. Op het geweld van de postpunk volgde de orkestrale pracht van zijn recentere werk. Al had de band uit die latere platen straffere songs kunnen plukken dan het trio 'Joy', 'Bright Horses' en 'Rings Of Saturn', ontroerd werden we zeker. Het macabere 'Henry Lee', een adembenemend duet met een van de achtergrondzangeressen, was het zoveelste hoofdpunt. En dan zaten we nog niet eens in de helft.
Met 'The Mercy Seat', 'Papa Won't Leave You Henry' en 'Red Right Hand' ging het spektakel een versnelling hoger. Alsof de apocalyps al voor vannacht was en de vier ruiters in galop gingen. 'Red Right Hand' was ronduit fantastisch. Een totale overwinning. Hierop volgde het apotheotische 'Jubilee Street', een favoriet van velen, waarbij er haast sprake was van levitatie. Het is ongetwijfeld een van de sterkste nummers uit de 21e eeuw en het klinkt live nog grootser dan op plaat. En niet dat we op nog meer nummers uit het latere werk zaten te wachten, maar het 16 minuten lange 'Hollywood' vormt daar absoluut een uitzondering op. It's a long way to find peace of mind. Het vormt een belangrijke etappe in Caves verwerkingsproces en het voelde bevrijdend om die woorden mee te zingen, steeds opnieuw, want aan mantra's geen gebrek tijdens een concert van The Bad Seeds. Op 'The Weeping Song' had ik niet eens durven hopen en helemaal op het einde dankte Nick Cave ons voor onze toewijding, terwijl de rest van de band afscheid nam. De zanger wilde graag nog een liedje zingen met al die duizenden mensen op het terrein. Het werd 'Into My Arms', melig zoals enkel hij melig mag zijn, want ook hier kwam hij destijds mee weg. Het werd zelfs een van zijn allergrootste hits. Het was afsluiten in schoonheid. En daar hadden we in die 2,5 uur grote dosissen van gekregen. Nick Cave & The Bad Seeds is geen band die je elk jaar moet gaan zien. Het is een louterend avontuur om steeds opnieuw naar uit te kijken en op terug te blikken. Deze bekeerling zal in elk geval nog heel wat kunnen nagenieten. We've all had too much sorrow. Now is the time for joy.























