dinsdag 15 januari 2013

DAN - 16, 17, 18

Het vervolg op de ongelofelijke omzwervingen van Dan Keith. Lees hier de eerste delen!


16.


“Misschien hebben ze wel gelijk, Oinoc. Misschien moeten we wat malser zijn voor vrouwen, zwarten en homoseksuelen.”
“Ach, hou toch je stomme kop”.

***

Na uren wandelen door het bijna ondoordringbare woud kwamen we weer op het mooie open landschap uit. Op dezelfde plek als vorige nacht hielden we halt en rustten we uit.
“Ik ben het hier meer dan beu. Misschien wordt het eens tijd om terug naar de Havenstad te keren. Maar hoe?”, stelde Oinoc voor.
“Ben je gek?”, riep ik uit. “Als we daar aankomen, fusilleren ze ons omdat we met de vijand hebben geheuld!”
“Zo’n vaart zal het wel niet lopen. Trouwens, jij kan altijd omvaren naar de Metropool.”
“En daar ontvangen worden door een regime dat de Bende en alles wat ermee te maken heeft, heeft verboden. Ze zullen me graag zien komen.”
“Oké dan. Dan is er nog de Stad”, zuchtte Oinoc geërgerd.
“Nu nog mooier! Natalia en Marr zullen mijn vlucht als hoogverraad zien en me in een van hun kerkers laten wegkwijnen, als ze me al niet dood slaan! Bovendien wil ik niet zonder mijn Juliana vertrekken.”
“En wat zal er gebeuren, denk je, wanneer we terugkeren naar dat achterlijke dorpje waar je haar hebt achtergelaten? Dalc zal ons laten fusilleren, om dezelfde reden als de officiers van de Havenstad. Denk toch eens na, man! We zijn het leger ontvlucht om met de rebellen te gaan vechten. Ook dat is hoogverraad.”
“Dan moeten we naar de Hoofdstad gaan en van daaruit Juliana opsporen”, besliste ik steevast.
“Dan, soms lijk je me nog dommer dan je eruit ziet. Waar denk je dat Dalc op dit moment vertoeft met zijn blanke slavin? In de Hoofdstad natuurlijk! Hij was enkel op inspectie in dat dorpje.”
“Als dat zo is, dan is Juliana bij hem. De Hoofdstad is onze enige logische bestemming. Desnoods vermommen we ons.”
“En weet jij soms de weg naar de Hoofdstad? Is dat al in je bolle kop opgekomen? We zijn verdwaald! We zijn al dagenlang verdwaald!”
“We reizen tot we een dorp tegenkomen. Daar vragen we de bewoners de weg naar de Hoofdstad. De tijd dringt, Oinoc.”
“Ja, want het maakt een heel verschil uit of Dalc je liefste Juliana 100 keer of 1000 keer aan zijn flinterdunne degen rijgt”, merkte Oinoc met sarcastische ondertoon op. “Luister, Dan, zet haar uit je hoofd. Misschien heeft hij haar ondertussen al 100 keer zwanger gemaakt, of 1000 keer, je mag zelf kiezen.”
Mijn hart sloeg een slag over, mijn keel vernauwde, mijn hoofd draaide, mijn ogen tolden, mijn benen wankelden. Hier had ik nog nooit bij stilgestaan! De gedachte alleen al is ondraaglijk! Dat Dalc een kind bij haar zou verwekken. Monsterlijk! Nog meer vastberaden dan ooit wilde ik de tocht verder zetten. Er was maar één weg: door de velden heen. We hadden genoeg van het verstikkende oerwoud en de vruchten kwamen ons de oren en andere lichaamsholten uit. Al aten we de komende maanden enkel Oinocs groentesoep, door de velden, langs de rivier moesten we trekken!
En dat deden we. Wekenlang. Soms enkele heuvels over, maar in het algemeen een vlak landschap. Tot vervelens toe. Ook de groenten begonnen ons tegen te steken. De hazen die zich in de velden verscholen hielden, waren te snel voor ons. Voor de rest was er geen enkel levend wezen te bespeuren, behalve hier en daar een valk of een sperwer. De rivier werd steeds breder en verschafte ons elke dag vers en zoet water.
Op een dag troffen we langs de oever een wat afgetakeld, oud houten bootje aan. Oinoc deed een vreugdedansje. De stroming was hier namelijk sterk, maar niet gevaarlijk sterk, en kon ons veel sneller stroomafwaarts brengen. Dit was onze geluksdag, zo meende hij. Ook raadde hij dat de Hoofdstad waarschijnlijk aan deze rivier zou liggen, en, aangezien de rivier weken geleden, aan de rand van de jungle, nog relatief smal was, de kans veel groter was dat de Hoofdstad zich in de richting zou liggen waarin we ons begaven. Met hernieuwde hoop plaatsten we ons in het bootje en lieten we ons de rivier afvaren. Na enkele uren werd het landschap aan de oevers rotsachtig. Scherpe hoge stenen begonnen boven ons uit te torenen. Ook uit de rivier staken enkele messcherpe rotsen, waardoor we ons wat met de kapotte roeispaan tussen de rotsen door moesten navigeren. De stroming werd steeds sterker en de rivierhelling steiler. Wanneer ons plots leek dat de rivier honderd meter verder ophield, hoewel het water bleef stromen, zakte de moed ons in de schoenen.
“Een waterval!”, riep ik uit. “We hadden het kunnen denken. We hadden op tijd weer aan land moeten gaan. Nu zijn we verloren!”
We hadden nog net de tijd om een schietgebedje te prevelen alvorens we de diepte in stortten. Gelukkig was de rivier enkele meters lager heel diep en raakten we geen rotsen in onze val. Die enkele seconden die ik onder water doorbracht, meende ik een geelachtige schijn te kunnen ontwaren op de bodem van de rivier. Maar ik schonk er niet veel aandacht aan, daar ik ervoor moest zorgen dat ik geen scherpe stenen raakte. Ook moest ik zo snel mogelijk weer boven water zien te geraken. Toen dat was gelukt, merkte ik opgelucht dat ook Oinoc geen wonden had opgelopen. Versuft lieten we ons verder drijven. Ons bootje waren we kwijt. Na enkele minuten werden we hard tegen een rots gesmakt en slaagden we erin op de rots te klimmen, die niet bepaald scherp was en vlak was aan de bovenkant. Van hieruit konden we naar de oever springen. Een moeilijke klim bracht ons op een zandweggetje. Hier was tenminste een teken van beschaving. Misschien waren we niet zo ver van een dorpje, of zelfs van de Hoofdstad, zo hoopten we.
Drijfnat en rillend van de kou vervolgden we het paadje, tot we inderdaad de Hoofdstad bereikten. De stedelingen herkenden meteen ons uniform en brachten ons dadelijk naar de ziekenboeg. Daar werden we verzorgd en, toen we weer op de been waren, werden we naar een rijkelijk banket gebracht, waar we naar hartenlust konden schranzen.
De Hoofdstad was de meest indrukwekkende stad die ik ooit had gezien en geen vergelijking met de Havenstad, de Stad of zelfs de Metropool, die wel grootse wolkenkrabbers mocht hebben, maar daarmee de Hoofdstad zeker niet naar de kroon kon steken. Elk huis was bezet met diamanten en glinsterde in de zon. De overheidsgebouwen waren lang niet zo hoog als de Metropoolse wolkenkrabbers maar waren van puur goud! Hier vertoefde die dikke Dalc dus. Hier gaf hij mijn Juliana haar gouden gevangenis. De mensen leken op het eerste gezicht heel gelukkig. Ze waren rijkelijk gekleed en droegen vele accessoires en versieringen. De Hoofdstad was, in tegenstelling tot de Metropool, de Stad en de Havenstad, autovrij, maar het leek alsof niemand een auto van doen had. Alle afstanden waren gelijk aan elkaar en iedereen kon overal op tijd geraken. Iedereen was het ook perfect met elkaar eens, dus er waren geen debatten, betogingen, rechtszaken of politieke partijen in de Hoofdstad.
Niet alleen de overheidsgebouwen waren van goud. Ook de meeste deuren van de diamanten huisjes, de tafels, de stoelen, het bestek, de borden, de lantaarnpalen, de kerktoren… De straten waren bezet met edelstenen en smaragden. Ik kon mijn ogen niet geloven. Wat een paradijs. Hoe ontzettend rijk moesten de inwoners van de Hoofdstad niet zijn? En alle dorpjes van Dalcs rijk zijn zo armoedig. Ik kon deze duizelingwekkende feiten maar niet bevatten.
Ook de tralies van onze gevangeniscellen was van goud, zo merkten we later, wanneer eindelijk werd begrepen wie wij waren en we wegens desertie werden gearresteerd. Hoe ironisch dat ook een opgesloten dief deze gouden tralies met beide handen zou omklemmen. Als hier al dieven waren. Armoede bestond niet in de Hoofdstad en iedereen leek duizend maal rijker te zijn dan de rijkste inwoners van de Metropool, Moss incluis.
Een maand lang moesten we, elk afzonderlijk, in onze cel doorbrengen. De gedachte dat Juliana zich misschien op honderd meter van mij bevond, was onhoudbaar. In deze letterlijk gouden gevangenis verrichtte ik heel wat denkwerk, maar bijna alle gedachten liepen stuk op het beeld van Juliana en Dalc, Dalc en Juliana, Juliana en die dikzak, verstrengeld in een van hun zovele sadomasochistische spelletjes. Ik werd er ziek van.
Maar dit alles is een persoonlijke kwestie, besloot ik. Moss had ongelijk. Natuurlijk had hij ongelijk. Een maatschappij als die in de Metropool, met verschillende sociale lagen, waarvan de twee uitersten ontzettend van elkaar verschilden – vooral wat hun spaarboekje betreft – is onmogelijk in stand te houden. Hier leek iedereen gelijk te zij. Hier leek iedereen even rijk te zijn. Een maatschappij met een communistisch grondbeginsel waarin iedereen niet even arm, maar even welvarend is. Zou dit de enige echte haalbare maatschappijvorm zijn? Wat een eer om hier te moeten vertoeven, dacht ik. Alleen moest ik zo snel mogelijk uit die gevangenis geraken, Dalc proberen te paaien, met Juliana trouwen en mij hier in een van die prachtige paleizen, die naar de normen van deze Hoofdstad slechts woonhuisjes zijn, vestigen. Sinds die vreselijke dag in de Metropool, waarop alles dat ik ooit had geleerd, met de grond gelijk werd gemaakt, was ik voortdurend op zoek naar een plek waar het wél heerlijk vertoeven was, waar iedereen wél volstrekt gelukkig was. Misschien had ik die nu eindelijk gevonden. Alleen was ik de enige persoon die ongelukkig leek te zijn. Oinoc, die in zijn cel elke dag de meest overdadige maaltijden en de meest aantrekkelijke vrouwen werd aangeboden, hoorde je niet klagen. Verbleef Juliana ook in deze gouden stad? En was zij gelukkig? Had zij haar triestige lot naast zich neer gelegd en probeerde zij er nu het beste van te maken? Was zij mij al vergeten? Ik mocht er niet aan denken…

17.

Na een maand waren we de vertroetelingen meer dan beu. Ik vroeg aan mijn bewaker of we niet gewoon onze straf mochten uitzitten, zonder al die verwennerij. De bewaker opende meteen de gevangenisdeur voor mij en even later zag ik Oinoc op de gang.
“Oinoc,” riep ik blij, “mijn liefst Oinoc! Wordt het niet eens tijd om op zoek te gaan naar Juliana? We kunnen toch moeilijk onze oude dag als luie, wel doorvoede en rijke gevangenen doorbrengen? Gelukkig word ik er trouwens niet van, want ik mis mijn liefste te erg. Nu we eindelijk vrij zijn, kunnen we haar gaan zoeken.”
“Ik heb nog een beter idee, beste Dan”, lachte Oinoc opgewonden. “We vertrekken met de stille trom, met de noorderzon, zonder een spoor achter te laten, zonder ook maar iets achter te laten. We nemen alles mee. Of toch zoveel mogelijk. Ach, nee, dat is me te wreed. Zelfs als we slechts enkele kiezeltjes van het weggetje dat naar deze gevangenis leidt, meenemen, zijn we schatrijk in de Metropool, de Stad of de Havenstad! Dan zullen ze ons wel met open armen ontvangen.”
“Maar Oinoc, je mist compleet mijn punt. Juliana is daar niet!”, schreeuwde ik ontzet.
“Maar Dan toch, met al die rijkdom kan je alle vrouwen hebben die je maar wil! Ik begrijp trouwens niet waarom je de hele maand lang geen enkele vrouw hebt aangeraakt. Jij die toch zo graag…”
“Spreek het niet uit! Spreek het woord niet uit! Ik wil enkel met Juliana de liefde bedrijven. Enkel met Juliana!” De emotie werd me te veel en uitgeput zakte ik neer.
“Dan…”, zuchtte Oinoc, “Als we hier blijven, doodt Dalc ons. We moeten hier weg.”
“Dat is niet verstandig”, klonk het vanuit een andere kamer. Oinocs bewaker kwam tevoorschijn.
“Verklaar u nader, beste bewaker.”
“Hier hebben jullie alles wat jullie maar kunnen begeren. Ik weet dat het waar jullie vandaan komen, alles wellicht veel beter is, maar als ik zie hoe gelukkig je hier bent, Oinoc, waarom alles hier dan opgeven?”
“Hmm…”, gromde ik, “Het is duidelijk dat je niet te vaak een blik hebt geworpen in mijn cel.”
“Cel? Wat bedoel je? Jullie waren toch volkomen vrij om te gaan en staan waar jullie wilden?”, vroeg de bewaker met fronsende wenkbrauwen.
“Ik denk dat ik niet goed word…”, riep ik verbaasd uit. “Maar jullie hebben ons toch opgesloten omdat we hadden gedeserteerd?”
“We waren daar niet tevreden over, maar om jullie daarvoor op te sluiten…”, lachte de bewaker. “Ik zou niet weten waar we dat zouden doen, want hier zijn geen gevangenissen.”
Ik snapte er helemaal niets meer van. Een maand lang waande ik me in de mooiste gevangenis ter wereld, maar nu bleken het gewoon onze kamers te zijn. Dit was helemaal geen gevangenis, maar een hotel!
“En die tralies dan? En… en waar is Dalc?”
“Dalc woont in het zuiden van de stad, in een luxueus paleis. Terwijl wij hier in armoedige woningen moeten verrekken”, zei de bewaker grimmig.
“Armoedige…?”, begon Oinoc. “Maar alles is hier…! Hoe…?” En toen zweeg hij, dacht hij een minuut lang na en kwam hij met het volgende op de proppen: “Beste bewaker, of moet ik zeggen, bediende? Butler? Knecht? Vertelt u mij hoe we hier het gemakkelijkst weg geraken.”
“Dat is niet zo eenvoudig”, vertelde deze. “Via de rivier is uitgesloten. De stroming is veel te sterk.”
“Dat hebben we gemerkt, ja”, bromde ik.
“Verder is bijna heel de stad omringt door bergen. Hoge bergen. Onmogelijk om ze te beklimmen. We zitten hier vast. Maar we zijn hier graag. We zijn arm maar gelukkig”, zei de bediende goedlachs.
Oinoc en ik geloofden onze oren niet, maar we speelden het maar al te graag mee.
“Nadat we hier een maand lang in de watten zijn gelegd,” besluit Oinoc, “hebben we eigenlijk niet veel nodig. Enkel materiaal om die verduivelde bergen over te geraken en enkele van die kiezelstenen die daar liggen.”
“Die steentjes? Waarom heeft u die nodig? Dat armoedige hotel, dat zijn naam niet eens waardig is, wordt toch volgende week gesloopt. Dus die steentjes hebben we al helemaal niet meer nodig. Neem ze maar mee als jullie willen.”
Oinoc keek me dolgelukkig aan. Mijn eigen enthousiasme viel nogal mee, moet ik zeggen. Oinoc keek me aan alsof hij me wel levend kon villen, toen ik meer inlichtingen vroeg over Dalcs paleis. “En hoe geraak ik daar precies?”
“Niet”, schudde de bediende verontschuldigend zijn hoofd. “Dalc mag dan wel onze leider zijn, maar er is eigenlijk amper plaats in ons maatschappelijk systeem voor een leider. Daarom heeft hij zijn paleis in het zuiden, vanwaar hij over ons heerst als een onzichtbare en machteloze despoot.”
“Hij heeft dus geen invloed op hoe jullie leven? En die oorlog dan?”, vroeg ik, terwijl ik er hoe langer hoe minder van begreep.
“Daar hebben wij niets mee te maken. Daarom ook dat we in een contradictoire situatie belandden toen we jullie als deserteurs herkenden. Dalc kan jullie wel villen, maar aangezien iedereen het hier met elkaar eens is en er geen straffen bestaan, konden we jullie niets doen. Dalc heeft hier absoluut geen macht, maar toch geniet hij hier van een groot respect. Hij is onze absolute leider, maar vanaf het moment dat hij tweedracht probeert te zaaien door van mening te verschillen met eender wie in de Hoofdstad, is wat hij wil, van geen enkel belang meer.”
“Hoe komt het dat dat niet zo is in de dorpjes in de jungle?”, vroeg Oinoc.
“Daar heb ik geen weet van. Zoals ik al zei, geraakt niemand hier weg. En dat vindt niemand hier erg. We hebben weinig. Maar datgene wat we hebben, willen we met al onze gasten delen.”
“U bent een goede man”, besloot Oinoc. “Te goed zelfs. Mag ik u nog om één gunst vragen? Zou u uw beste ingenieurs kunnen samen roepen om een rijtuig voor ons te maken dat ons ver weg van hier kan brengen? Vanbinnen moet er ruimte zijn voor twee personen, genoeg proviand en de kiezelsteentjes natuurlijk.”
“Maak er drie personen van”, zei ik nors. “De avond voor ons vertrek, neem ik Juliana mee.”

18.

Na enkele weken was het rijtuig klaar. De motor was van de meest vernuftige technologie, speciaal ontworpen om de allerhoogste bergen mee te beklimmen. Al jarenlang hadden de knapste koppen van de Hoofdstad aan de plannen gewerkt, maar nooit was er iemand op het idee gekomen om het rijtuig ook daadwerkelijk te fabriceren. Enerzijds waren de bewoners dus nieuwsgierig naar wat er achter de bergen lag, maar anderzijds wou niemand er weg, ondanks hun vermeende armoede.
Een week na onze ‘vrijlating’, werd ons hotelletje gesloopt. Het deed een beetje pijn in mijn hart toen ik zag dat al dat goud en zilver en al die diamanten en edelstenen met een vrachtwagen naar het stort werd gebracht, om daar weer gerecycleerd te worden. Gelukkig voor ons ontstond er heel wat commotie rond ons vertrek uit de Hoofdstad. We werden op slag populair en plots wou iedereen ons hun kiezelsteentjes cadeau doen. In het begin weigerden we beleefd, maar op den duur konden we echt niet meer nee zeggen.
Wat Juliana betreft, dat had Oinoc me na vele dagen uit mijn hoofd kunnen praten. Als ik echt aanspraak wilde maken op haar, dan moest ik eerst uit de stad wegtrekken en al die diamanten in een bank omruilen voor echt geld, dat in dit deel van de Hoofdstad eenvoudigweg niet bestond. Alleen daarmee zou ik Dalc kunnen uitkopen. “Dalc is niets met kiezelsteentjes uit de Hoofdstad. Voor hem zijn dat echt kiezelsteentjes, maar in de Metropool en de Stad zijn ze van onschatbare waarde. En aangezien Dalc handel voert met de Metropool is onze munteenheid even veel waard in de Hoofdstad. We verruilen dus stront voor geld en worden er schatrijk van, en jij krijgt je Juliana terug”, aldus Oinoc. Ook moest Juliana ergens terecht kunnen waar het beter was dan in het paleis van Dalc. Ik moest dus een veel luxueuzere woning laten bouwen, ver weg van de jungle en van de Hoofdstad.
Zo voerde het voertuig ons op een dag zwaar beladen uit de Hoofdstad weg, met geldtekens in onze ogen en onze blik vastgespijkerd op de horizon. Want daarachter lag de door ons zo gekende wereld, waarin al dat moois dat we in onze koffer hadden ingeslagen, van onschatbare waarde was. Of we nu naar de Metropolis, de Stad of de Havenstad gingen, we zouden er rijker zijn dan wie dan ook op aarde! Blij beet ik nog eens een stuk uit mijn hertenbout. Ze hadden ons goed met voedsel bevoorraad, om onze moeilijke – maar dankzij dit verbazingwekkende rijtuig aangename – klim zonder appelflauwtes door te komen.
Na enkele dagen bereikten we een stad die in de schaduw van de laatste berg lag, met niets dan oerwoud aan de horizon. Welke stad was dit? Hoorde die nog tot Dalcs rijk? Zouden deze inwoners ooit de bergen oversteken? Zouden we hier iets met onze diamanten kunnen aanvangen?
Niet ver van de stad lag een naakte neger op de grond. Zijn beide handen waren afgehouwen.
“Bij Moss, wie heeft jou zo toegetakeld”, riep ik hem toe.
“Mijn heer en meester Vanlerderghem. Ik wacht op zijn terugkomst.”
Oinoc schrok zich een hoedje toen hij die naam hoorde.
“Vanlerderghem, de beroemde grootgrondbezitter?”, vroeg hij de neger.
“Precies.”
“Ik wist wel dat we die naam hier ooit eens gingen horen”, fluisterde Oinoc in mijn oor. “Dalc mag dan wel heer en meester zijn in dit gebied, maar van handel heeft hij geen kaas gegeten. Heer Vanlerderghem zwaait hier met de plak en al wie daar niet mee akkoord gaat, wordt meteen de Bergstad uitgewezen. Iedereen behalve Dalc natuurlijk, die hier de twee jaar helemaal naar hier reist om met zijn belangrijkste handelspartner te komen golven. Vanlerderghem is oppermachtig… en uiterst gevaarlijk.”
De neger schudde zijn hoofd. “Kijk wat hij met mijn handen heeft gedaan.”
“Wat heeft hij met je handen gedaan?”, vroeg ik.
“Wel, ze zijn er niet meer.”
“Dat zie ik ook wel, maar aangezien ik je handen nog nooit gezien heb en je tot nu toe nog niet bepaald informatief bent geweest over het lot van je handen, tast ik nog volledig in het duister wat het lot van je handen betreft.”
Hier moest de neger toch even over nadenken. “Eigenlijk weet ik helemaal niet”, vervolgde hij, “wat hij met mijn handen heeft gedaan nadat hij ze me heeft afgenomen.”
“Zanik dan niet zo en zeg me liever waarom hij je handen heeft afgehakt.”
“Dat komt omdat ik een sigaar uit zijn sigarendoos had gestolen.”
“Eén sigaar?”
“Oké, oké, twee. Jij bent ook niet van gisteren, vreemdeling.”
“Dan.”
“Dan wat?”
“Dan is de naam.”
“Op die manier. Wel, Dan, is mijn naam Van.”
“Wel, Van, die sigaren stelen lijkt me niet echt de slimste zet.”
“En ik was nog zo geliefd door de meester, aangezien mijn naam een deel uitmaakt van zijn naam. Ik voelde me er altijd zo speciaal door, maar de andere negers waren jaloers.”
“En nu heb je geen handen meer.”
“Precies. Nu kan ik niet meer in de plantage werken. En mijn ouders waren nog zo blij toen ik voor de meester kon gaan werken. ‘Onze zoon gaat als slaaf voor een blanke man uit de Metropool werken’, zeiden ze nog trots tegen hun vrienden. Wel, ik kan je één ding zeggen, Dan, een cadeau is het zeker niet. De blanke man behandelt de zwarte man als stront. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo blijven. Ik dacht dat ik eeuwig als een hond door de modder zou kruipen voor de meester, maar toen hij mij mijn handen ontnam, werd ik nog minder dan een slaaf, nog minder dan een hond, een papegaai, een insect. Ontneem een man zijn handen en je ontneemt hem alles.”
“Maar ik zie helemaal geen plantages?”
“Die liggen achter de Bergstad, achter de berg.”
“En waarom wacht je op de meester? Wat verlang je dan nog van hem? Wanneer verwacht je hem terug?”
“Hij komt gauw. En dan zal ik eindelijk wraak kunnen nemen. En die zal zoek zijn als het bloed dat ik heb moeten verspillen toen hij me verminkte. Wat zal ik trillen van opwinding wanneer ik eindelijk mijn handen rond zijn hals zal…” Een laat besef snoert zijn mond. “Oh juist.” Een dikke traan rolt over zijn wang en ook ik krijg het moeilijk. Dat iemand uit de Metropool zijn medemens zoiets gruwelijks kan aandoen. Ik kon het echt niet geloven. Stilaan had mijn aangeboren misprijzen voor de neger plaats gemaakt voor iets hogers, iets diepers, iets van groter belang. Ik had medelijden met hem. Nog nooit voelde ik zoveel medelijden voor iemand. Zelfs niet voor Moss. Zelfs niet voor Juliana. De wereld is slecht en de Metropool is de rotste plek uit de appel. Een plek die je moet uitsnijden en wegwerken, en daarna verpletteren met je hiel, zodat er niets dan onbeduidend sap van overblijft. En van die wereld, en uit die Metropool, was ik afkomstig. Ik werd er misselijk van.
Mijn tranen waren nog niet droog, mijn walging nog niet weggeëbd, de storm in m’n hersenpan nog niet gaan liggen, toen we in de Bergstad arriveerden. Het was een drukke bedoening in de smalle straatjes. Het krioelde er van de handelaars, die de weinige klanten van hun superioriteit probeerden te overtuigen. Dat leek me opmerkelijk, want allemaal werkten ze voor hun heer en meester, de grote Vanlerderghem, die de maffiawereld in de Metropool grondig beu was en na een mislukte greep naar de macht door Moss werd verdreven, zo vertelde Oinoc mij.
Te midden van al die straatjes vonden we eindelijk wat we al die tijd hadden gezocht. Een bank. De Metropoolse Bank. De bank, niet van Moss, maar die van Vanlerderghem. Hier zouden we eindelijk onze diamanten in cash kunnen omzetten en zouden we Juliana van de dikke gouverneur kunnen kopen. Nu we hier eindelijk waren aangekomen, wist Oinoc me eindelijk te overtuigen om het geld daar niet voor te gebruiken. Dalc zou een hoge prijs vragen en er zou niets van onze centjes overschieten. Oinoc had andere plannen. Hij wilde naar het Belastingsparadijs, om daar voor eeuwig en een dag te kunnen rentenieren, welverdiend na al die beproevingen die we hadden doorstaan. “Daarom moesten we ze eerst in de Metropoolse Bank omruilen. Dalc verdient al dat geld niet. We kunnen Juliana beter ontvoeren”, besloot hij alsof hij zelf op het idee was gekomen.
“Maar dat had ik toch al die tijd al voorgesteld?”, riep ik onthutst.
“Dat klopt,” lachte hij, “maar ondertussen is er heel wat gebeurd. We ontvoeren haar, Dan. Ik weet dat het zal lukken.”
We informeerden naar de kortste weg naar de Hoofdstad en ontmoetten zo een schipper, wiens sloep voorbij de berg lag, in de belangrijkste waterader die naar de Hoofdstad stroomde, de Rivier.
Toen ik de schipper apart nam en vertelde dat ik Juliana wilde ontvoeren, werd hij plots erg bleek. “Dat… dat meen je toch niet?”, stotterde hij. “Dat wordt mijn dood! En die van jullie erbij! Juliana is de favoriete vrouw van Dalc, en hij duldt niemand in haar nabijheid. Behalve al die handelspartners van hem, waaronder onze meester, Vanlerderghem, die steeds een nacht bij haar mogen slapen, als dank voor de bewezen diensten. De gouverneur is een trots man, maar hij is ook een gierig man.”
“Dus hem omkopen wordt ook niets”, zuchtte ik, dodelijk getroffen door zijn woorden, die als pijlen op me af schoten. Ik riep Oinoc tot mij en begon mijn zoveelste klaagzang. Ik zag het echt niet meer zitten. Al hadden we nog zoveel diamanten, we waren er niets mee, want ik zou er Juliana nooit mee terugwinnen.”
“Niets is veel gezegd”, besloot Oinoc geërgerd. “Wat als we de hele vracht nu eens gewoon in twee delen? Ik vertrek ermee naar het Belastingsparadijs en jij vaart de Rivier af naar de Hoofdstad. Je geeft hem alle diamanten die je hebt en speelt het hard. Als hij nog steeds niet toegeeft, steek je hem neer. Dan ontsnap je met Juliana naar de kust, waar je vast wel een verlaten sloep vindt naar de Havenstad.”
“Maar in de Havenstad…”, begon ik.
Nors sloeg Oinoc me in het gezicht. “Ik ben je smoesjes beu, Dan. Ofwel ga je voor Juliana, ofwel laat je haar en ontsnap je mee met mij naar het Belastingsparadijs, voorbij de monding van de Rivier, in de andere richting dus. Je moet een keuze maken en wat je ook doet, en het maakt me uiteindelijk echt niet meer uit wat je kiest, hou eindelijk eens je bek over Juliana en over al die mannen die haar plat neuken en over hoe jij dat niet kan doen, want ik word er verdomme horendol van!”
Die zat. Ik vermande me, sloeg Oinoc in het gezicht en keerde me om. Met een korte knik naar de schipper en m’n handpalm gevuld met kiezelsteentjes uit de Hoofdstad. “Ik geloof, beste man, dat ik hier enkele steentjes heb die je snel van gedachte zullen doen veranderen.” Het gezicht van de man klaarde op, al waren nog niet alle onrustwolken uit zijn gelaat verdwenen.
“Ik zal je over de rivier naar de Hoofdstad brengen. Morgen moet Vanlerderghem toch die kant uit. Je zal het genoegen hebben hem te ontmoeten. Hij zal de meest nobele man zijn die je ooit hebt ontmoet.”
De gedachte alleen al maakte me plots weer misselijk. Maar ik kon niet anders. Ik moest dat monster wel vergezellen. Resoluut stopte ik de schipper de diamanten toe en stapte ik met al de rest van de lading uit de Hoofdstad de bank binnen. Toen ik weer buiten kwam, had Oinoc al geldtekens in zijn ogen. We deelden de buit in twee en namen afscheid.
“Hoe het ook afloopt,” zei hij, “neem haar weer terug. Ze hoort bij jou. Niet bij zo’n eerzuchtige en sadistische papzak. Maar zorg goed voor haar. Word de beste echtgenoot die ze zich ooit had kunnen inbeelden. Vaarwel, beste Dan.”
“Vaarwel, mijn beste Oinoc. En tot in het Belastingsparadijs. Misschien komen we je daar wel eens opzoeken. Misschien is dat dan toch de enige plek op aarde waar het leven mooi is.”
“Laten we het hopen, Dan. Want veel zulke plekken zijn we op onze omzwervingen helaas nog niet tegengekomen.”
“Het beste, Oinoc.”
Met spijt in het hart zag ik hem vertrekken. De berg op. Naar de aanlegplaats in de Rivier, waar morgen ook mijn reis zal beginnen. In de andere richting. En dan zal ik eindelijk bij Juliana zijn.
De volgende dag werd ik opgewekt wakker. Ik betaalde de herbergier rijkelijk en voegde me bij de schipper, die me nogmaals een fikse som vroeg. Een dikke, weelderig uitgedoste man keek me nieuwsgierig aan. Het was pas aan boord dat hij zich eindelijk aan mij voorstelde.
“Vanlerderghem”, zei hij.
“Dan.”
“U komt me bekend voor. Waar ken ik u van?”
“Het spreekt voor zich dat ik u ken, meester, maar het zou me sterk verbazen mocht u mij kennen”, antwoordde ik snel.
“Ik ben het niet gewoon gezelschap te hebben wanneer ik de gouverneur een bezoekje breng, Dan. U moet echt wel over een fortuin beschikken om met deze schipper en in mijn gezelschap naar de Hoofdstad te kunnen trekken.”
“Dat is ook zo, heer, ik ga belangrijke zaken met Dalc doen.”
“Is dat zo? U weet toch dat ik de enige handelspartner van Dalc ben die van enig belang is?”, vroeg hij dreigend.
“Dat mag u best vinden, heer en meester, maar ik vind de zaak die ik met hem te bespreken heb, zeker niet gering.”
“Brutale vlegel!”, riep hij plots, en hij liet daarbij elke blijk van geveinsde beleefdheid en respect varen. “Ik zal je leren mij te beledigen!”
“Maar ik heb u helemaal niet…”
Meer kon ik niet uitbrengen. Met een harde trap in mijn maag decimeerde hij het gezelschap op de boot met een derde, waardoor ik in de ijskoude Rivier belandde. Ik was er zeker van dat dit mijn dood werd, maar nog voor ik kon verdrinken, spoelde ik tegen de steiger van de aanlegplaats, die in een bocht lag, aan. Zo sterk was de stroming van de rivier.
Woedend en doorweekt haastte ik me terug naar de Bergstad. Hoewel een derde van de som geld in het koffertje zat dat ik altijd bij me droeg en dat dus ook overboord was gedonderd, had Vanlerderghem toch mooi twee derde van mijn geld gepikt. Buiten mezelf van razernij klopte ik aan bij advocaat Vaat, de enige van de Bergstad.
“Ik wil de heer Vanlerderghem aanklagen. Hij heeft een erg grote soms geld van me gestolen en ik wil het terug!”
“In vredesnaam, hou uw mond!”, werd me door de secretaris toegesnauwd. “Dit is een advocatenkantoor. U moet nu een fikse boete betalen voor overlast. En voor de onkosten van dit dure tapijt, dat u helemaal nat heeft gemaakt.”
“Al goed, al goed, maar wat gaat u hiertegen doen?”
“Wat denkt u? De meester is de advocaat van de meester”, grijnsde de secretaris.
“De wat? Wilt u dat nog eens herhalen?”
“U heeft u zonet schuldig gemaakt aan laster en eerroof. Dat gaat u een fikse duit kosten. En aangezien heer Vanlerderghem er met uw geld aan de haal is en dus niet beschikbaar is en zich dus ook niet kan verdedigen, moet u het bedrag ter plekke ophoesten. De zaak is hierbij gesloten. Gelieve het honorarium van meester Vaat ogenblikkelijk te betalen en op te rotten.
“Maar ik heb meester Vaat nog niet eens gezien. Laat staan dat hij…”
“Heeft u hulp nodig bij dat oprotten, of zal dat vanzelf wel lukken? Ik heb een zwarte band karate, dus ik zou een zeer wijze beslissing nemen, als ik in uw schoenen stond.”
Weemoedig sleepte ik me door de smalle straatjes van de stad. Ik was bijna alles kwijt en had zeker niet genoeg geld om naar de Hoofdstad af te reizen. Wat nu gedaan?
Gelukkig was het niet allemaal zo somber en had ik het uitzonderlijke geluk een arme schipper te ontmoeten die me voor een appel en een ei naar de Hoofdstad zou voeren. Deze man, die Keezs heette, was belogen, bedrogen en beroofd door zijn vrouw, afgetuigd en voor dood achtergelaten door zijn kinderen, en werd vervolgd door de inwoners van zijn geboortedorpje niet ver van de Havenstad. Hij was naar de Bergstad afgereisd om er gelukkig en rijk te worden, maar zijn negers waren hem te slim af en gingen er met het weinige dat hij nog had vandoor. Nu had hij enkel nog een armoedige sloep, waarmee hij reizigers van de Hoofdstad langs de Bergstad naar de monding van de Rivier bracht. Tot zover de mythe van onbereikbaarheid die in de Hoofdstad zelf heerste. Hiermee kon hij nog net zijn brood verdienen. Dit was de uitgelezen kans om de Hoofdstad ongezien te bereiken! En terwijl Keezs zijn treurige maar saaie levensverhaal vertelde en ik nogmaals besefte hoe slecht de Havenstad – maar ook de Metropool en de Stad en alle dorpen aan de andere kant van de Grote Plas – moesten zijn, kon ik er toch niets aan doen dat mijn hart keer op keer een vreugdesprongetje maakte. Eindelijk.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen