donderdag 9 augustus 2012

DAN - 10, 11, 12

10.

“En wat nu?”, vroeg Juliana me ontsteld. “We hebben niks. Hoogstens wat proviand en twee revolvers. Met ons laatste geld hebben we deze twee pinten besteld.”
“Schol trouwens!”, zei ik goedlachs.
“En jij kan daarmee lachen?”, snauwde ze. “Serieus, Dan, we hebben geen nagel om…”
“Rustig maar, liefste. Zie je die twee heren daar? Die willen vast wel een van onze paarden kopen. We hebben er in feite toch maar één nodig. En dan kunnen we lekker knus bij elkaar zitten.”
Juliana keek naar de andere kant van de herberg. Daar waren twee zakenmannen in druk gesprek. Ik stapte op hen af en deed hen het voorstel. Ze waren blij verrast en gingen er dan ook op in. Zo waren we alweer wat centjes rijker en konden we onze reis verder zetten. We kochten proviand en warmere kledij en begonnen aan een lange reis.
Die reis leidde ons via een smal padje en langs verraderlijke afgronden zonder kleerscheuren de de bergketen door. Toen het landschap minder bergachtig werd, was het nog drie dagen rijden naar de volgende stad. We sliepen in koude en onherbergzame wouden en draafden door moerassige weilanden. Toen we een nieuwe havenstad bereikten, waren we volledig geradbraakt. In ruil voor voedsel en onderdak ging ik in legerdienst. Juliana kreeg meer comfort aangeboden, maar dan moest ze wel het bed delen met de burgemeester van het havenstadje. Een nieuwe periode van wanhoop en frustratie brak aan. Nog steeds had ik niet met mijn geliefde Juliana kunnen slapen en opnieuw moest ik verdragen dat iemand anders dat in mijn plaats deed.
De legerdienst was hard en onverbiddelijk en in alle opzichten te vergelijken met mijn legerdienst bij Marr. Blijkbaar bereidde het havenstadje een oorlog voor want bijna alle belastingen van de inwoners gingen naar het defensiebudget. Maar geen van de soldaten kwam te weten wat de overheid van het havenstadje van plan was.
Drie maanden lang kreeg ik Juliana nauwelijks te zien. Heel af en toe kwam ik haar eens tegen op het binnenplein van de kazerne, toen ze aan de zijde van de burgemeester het leger kwam inspecteren. Ze gaf me toen een aanmoedigende glimlach en keek met ogen vol liefde en verlangen in de mijne. Ik wist dat ik sterk moest zijn en mijn verlangens en hoop moest blijven voeden.
De laatste vijf weken van ons verblijf in het havenstadje begon de overheid steeds meer burgers te mobiliseren en de oefeningen werden fysiek nog veel zwaarder. En toen kwam de dag dat alle soldaten in een groot oorlogsschip de oceaan kozen. Op weg naar een voor de gewone soldaat onbekende bestemming.
De wanhoop maakte zich nu volledig van mij meester. Dat Juliana al drie maanden met die geile oude bok de lakens deelde was al erg genoeg, maar nu vertrok ik naar een overzees oorlogsgebied en leken de kansen bijzonder miniem dat ik ooit zou terugkeren en dat ik Juliana ooit nog zou zien. De kans was groot dat ik haar prachtige lichaam nooit tot mij zou kunnen nemen.
Mijn verrassing was dan ook groot toen ik aan boord van het schip plotseling een onmiskenbare “Psst!” hoorde. Het kwam vanachter de deur van de bevoorradingskamer, die op een kier stond. Snel keek ik of er niemand me bespiedde en duwde vervolgens de deur zachtjes open. Voor alle zekerheid ging ik op mijn hurken zitten en begon ik mijn veter zogezegd te knopen.
“Ik ben het, schat. Juliana. Ik heb me hier aan boord verstopt. Ik kon het niet over mijn hart krijgen om je zomaar te laten vertrekken. Vanaf dat we aan land gaan, kunnen we vluchten”, fluisterde de lieve, zachte stem.
Ik moest me inhouden om niet van pure blijdschap een gat in de lucht te springen.
“Juliana! Liefste! Ik had nooit gedacht dat je je comfort bij de burgemeester zou inruilen voor zo’n ongemakkelijke positie als deze. Ik zie je zo ongelofelijk graag.”
“Oh, maar gelukkig moet ik hier niet slapen. Ik slaap in de kajuit van een van de matrozen. Die heeft me gisteren ontdekt, maar hij heeft beloofd dat hij aan niemand iets zal zeggen, op voorwaarde dat ik elke nacht met hem slaap. Ik ben gewoon naar hier gekomen om je dit te zeggen. Nu moet ik terug naar zijn kajuit.”
Mijn hart sloeg een slag over toen ze mij dit berichtte. Alwéér! Dit begon ondraaglijk te worden. Ik nam me voor om, zodra we aan wal gingen, het met z’n tweeën op een lopen te zetten. Wanneer we dan ver genoeg waren, zou ik haar de jurk van het lijf scheuren, haar naakte lijf tegen een palmboom aandrukken en haar op de meest passionele manier die ik maar kon bedenken, némen. Met dat voornemen in gedachten trakteerde ik me die nacht op een voorsmaakje, maar toen de sergeant, die nog wakker was, me hierop betrapte, vatte hij me bij mijn pyjamakraag en trok hij me de kajuit uit. Net toen hij me tien stokslagen wou geven, merkte hij iets wit glimmend op zijn pyjamabroek op. Ik wist al dat ik mijn kwakje toch nog ergens had achtergelaten, maar was er tot op dat moment niet zeker van waar. Woedend bond hij me vast aan een van de masten en gaf hij me twintig stokslagen. Met een snelle veeg kuiste hij het kwakje van zijn broek en maakte hij zijn hand aan m’n gezicht schoon. Hij liet me vastgebonden aan de mast hangen tot kwart voor zes, een kwartier voor de manschappen zouden opstaan. Hij had zijn wekker speciaal wat vroeger gezet om me los te maken, me nog wat meppen bij te verkopen, deze keer gelukkig niet met zijn stok, en me zo stil als hij kon weer naar de kajuit te voeren, waar ik nog enkele minuten slaap moest veinzen.
“Hopelijk ziet het er aan de andere kant van de Grote Plas veel beter voor ons uit. Want echt veel geluk hebben we hier nog niet gehad”, zuchtte ik in mezelf. Hoewel ik volledig geradbraakt was en mijn rug ontzettend veel pijn deed, moest ik de volgende dag toch nog aan de oefeningen op het dek deelnemen. Juliana zag ik pas twee weken later weer terug, toen we eindelijk aan wal gingen en met z’n tweeën de benen konden nemen.
“Ik ben zo blij dat we zijn kunnen gaan lopen”, hijgde ik na enkele minuten lopen.
“Ik ook! En laten we hopen dat het lot ons beter gezind is in dit nieuwe, onbekende land”, kreunde Juliana, bekaf. “We zijn zo ongelukkig geweest in het onze, dat we hier best wel een flinke dosis geluk kunnen gebruiken.”
“Wat is het hier warm”, zei ik en ik knoopte m’n legerhemd los en hing m’n stropdas op aan een palmboom. Die gaf me een aanlokkelijk idee, maar Juliana wilde zo snel mogelijk zo ver mogelijk weg geraken. Grommend en met een behoorlijke paal in m’n broek vervolgde ik mijn weg. “Mijn tijd komt nog”, dacht ik voortdurend.

11.
De nieuwe wereld waarin we verzeild waren geraakt, leek enkel uit jungle te bestaan. Grote insecten, doornachtige planten, moerassige grond. Een ware hel waar we twee dagen lang bijna onophoudelijk in rond zwierven. Slapen deden we in bomen, die we eerst volledig op slangen moesten inspecteren. We aten vruchten maar leefden vooral van elkaars liefde, op dezelfde manier als voorheen, want tijd voor verder genot was er niet.
Na twee dagen van uitputting en ontbering bereikten we een nederzetting. Daar werden we door de plaatselijke bevolking openhartig ontvangen, werden onze wonden verzorgd en kregen we voedsel. Molzog, de arme hoofdman van de bescheiden nederzetting, dat voornamelijk uit houten huisjes bestond, had niet veel tijd voor ons. Hij liet de oude, wijze man Jeroz zich met ons bezig houden, aan wie we ons verhaal deden. De oude man hoorde onze vertelsels met grote ontzetting aan.
Molzog had net bezoek van de volslanke gouverneur Inomiruvisch Moebrakadafali Dalc, die de bewoners van de nederzetting wilde afstraffen omdat ze hem niet genoeg belastingen betaalden. De grootste afkeer denkbaar stond op Molzogs gezicht af te lezen, maar hij mocht het in geen geval aan de gouverneur laten merken. Toen de hooghartige man Juliana zag, stopte hij plots met preken en klagen en dreigen en snauwen. Hij zei haar vlakaf dat ze de mooiste vrouw op aarde was en vroeg Jeroz wie deze vrouw was en wat ze hier kwam doen. Jeroz mompelde dat ze met mij hier uit de jungle gekomen was, dat we halfdood voor hun poort waren neergevallen en dat zij hier nu kwamen herstellen. Toen Dalc mij zag en aan mijn hemd merkte dat ik soldaat was, werd hij woedend. Hij begon me door elkaar te schudden en bulderde dat ik 50 km verderop oorlog hoorde te voeren tegen de rebellen en dat ik gedeserteerd had, waar in dit land de doodstraf op stond! Gelukkig wilde hij een uitzondering maken en mijn leven sparen op voorwaarde dat hij met Juliana mocht trouwen.
Hij beval Molzog om me stevig te boeien en me als straf een flink pak slaag te geven, en dan verdere bevelen af te wachten. Toen hij alleen was met Juliana, vroeg de vetkwab haar om met hem in het huwelijksbootje te stappen.
“Ik kan je rijk en gelukkig maken”, beloofde hij. “Maar dan moet je die idioot, die op dit moment als een gebonden hansworst ligt te bloeden, vergeten en je hart en lichaam volledig aan mij geven.”
“Daar moet ik toch even over nadenken”, schrok Juliana. “Bovendien ben ik nog getrouwd, maar mijn man is overleden.”
“Dan is er toch geen probleem?”, vroeg Inomiruvisch Moebrakadafali Dalc grijnzend, terwijl hij met zijn worstvingers haar stevige borsten onder haar dunne kleedje betaste, een genot waar ik nog steeds niet van kon meespreken. Haar medelijden met mij was groot en zelf had ze ook zin om eindelijk eens met mij de liefde te bedrijven. Ze besloot raad te gaan vragen aan de wijze Jeroz.
“Juliana,” zuchtte hij, “jullie twee hebben al veel doorgemaakt. Jarenlang hebben jullie jullie liefde geheim moeten houden en heb je je lichaam aan die Moss geschonken, tegen je zin. Bovendien hebben verschillende mannen je lichaam gebruikt en misbruikt. Daarna ben je verscheidene keren op gewelddadige manier verkracht en zelfs in de buik geschoten. Ook heb je je lichaam aan twee homoseksuele mannen tegelijk moeten schenken. Daarna heb je twee maal tegen je zin met een man moeten samenleven, eerst met een burgemeester, daarna met een scheepsjongen. En nu beland je hier halfdood in een godvergeten dorp midden in de jungle, ondervoed, geradbraakt en straatarm. Je zei me dat je, toen je met Moss was getrouwd, de rijkste vrouw van de Metropool was. Ik vrees dat dit de enige manier is om weer wat geld te bezitten, meer nog, om stinkend rijk te worden en je zorgen te vergeten. Aangezien miserie bepaalde rechten geeft – en wie weet als geen ander wat miserie is dan jij? – zal Dan het je wel niet kwalijk nemen dat je voor Dalc en voor het geluk kiest. Met Dan heb je toch geen toekomst. Hij zal er wel zwaar van afzien, maar dat is nu eenmaal het leven.”
“En zeggen dat we hoopten dat het ons hier beter zou afgaan”, snikte Juliana bedroefd.
“Geloof me maar, deze wereld is de ongelukkigste van alle werelden. Ik heb mijn portie ongeluk ook al gehad”, zuchtte Jeroz. “Trouw nu maar met die vette blaaskaak. Dat is het beste wat je in dit land kan doen.”
Juliana had haar keuze gemaakt. De dolgelukkige dikzak Dalc besloot om mij het oerwoud in te sturen, om mee te gaan vechten tegen de rebellen. Juliana en ik mochten nog vijf minuten van elkaar afscheid nemen.
“Hij drukt me helemaal plat”, klaagde ze. “Hij kneedt te hard in m’n borsten, slaat me met zijn vette handen, en zijn lul is als een drilboor.”
Ik moest even slikken en begon van ellende en frustratie te huilen.
“Na één keer ben ik al volledig uitgeput en doet m’n hele lichaam pijn. Hoe moet ik dat de rest van m’n leven uithouden?”
“Ik kom terug”, zei ik. “Dat beloof ik je, Juliana. Je bent van mij. Enkel en alleen van mij. Ik zal dit doen ophouden, dat zweer ik je.”
“Ik hoop het van harte, liefste Dan. Mijn hart bloedt als ik me bedenk dat je dan toch nog naar die vreselijke oorlog moet, waar je je op elk moment van de dag kan laten afslachten.”
“En jij dan?”, snikte ik. “Kan ik jou dan bij dat zwijn achterlaten?”
“Je hebt geen andere keuze”, huilde ze. “We moeten allebei onze beproevingen doorstaan. Zolang er hoop is…”
“Wat mij betreft duren die beproevingen al lang genoeg.”
“Ik moet nu gaan. De vijf minuten zijn om.”
Ik slikte weer. Mijn ogen rolden over haar vuile, verscheurde gele jurk, die ze van de burgemeester van het havenstadje had gekregen en die haar beste tijd echt wel had gekend. Mijn springlevende stok drukte tegen de binnenkant van m’n legerbroek toen ik vol verlangen naar haar borsten keek, die lichtjes priemend hun tepels door het dunne kleedje drukten. “Als m’n handen niet geboeid waren,” zei ik, “dan had ik je nog eens goed vastgenomen. Helaas… Vaarwel, mijn liefste, en hopelijk zien we elkaar gauw weer terug.”
Toen Juliana mijn hut verliet, stortte mijn hart dodelijk gewond en uit verschillende gaten bloedend op het slagveld van de liefde neer. Al die mannen die haar al van mij gewonnen hadden. Al die keren dat ik naar haar lichaam had verlangd. Ooit moest ik toch krijgen waar ik recht op had? Waarom bleef het lot dat moment waar ik al miljoenen keren als een gefrustreerde zot van gefantaseerd heb, maar uitstellen?

12.
Voor ik naar het oorlogsgebied moest, waar ze tot m’n grote wanhoop nog steeds duchtig aan het vechten waren, reed Inomiruvisch Moebrakadafali Dalc me eerst naar een onder de oerwoudplanten verborgen betonnen gebouwtje. Hij leek me, voor ik me ging laten afslachten, toch nog een hak te willen zetten door me daar heel zijn arsenaal van kettingen, vleeshaken, klemmen, schroeven, naalden, pinnen en zwepen te laten zien. “Straks brengen ze mijn kersverse vrouwtje naar hier en gaan we hier onze huwelijksnacht vieren. Mooie locatie, niet?”
Woedend keek ik hem aan. Wat had ik hem graag met een van zijn vleeshaken overmand om hem daarna met de zweep stevig af te ranselen. Jammer genoeg waren m’n handen achter m’n rug geboeid en kon ik niets doen.
“Ze rijdt lekker, je grietje. Mooie parel die, jammer voor jou, nu voor mij is, maar dat wil niet zeggen dat ik ze niet eens flink onder handen zal nemen. Elke nacht zal ze kreunen van genot en pijn als ik haar aan m’n leren laarsje rijg.” Hierop begon de vetzak geestdriftig te lachen. Hij zag het al helemaal zitten.
En toen gingen we wandelen. Als een wild beest, als een gevangen slaaf, werd ik met een koord rond m’n nek die ellendige jungle door getrokken, totdat we aan een voorpost op ongeveer drie kilometer van de oorlog kwamen. Daar vertrouwde hij me toe aan een groepje soldaten op wacht. Ik ontmoette Oinoc, een van schrik verstijfde soldaat. Al dagen lang hoorde hij de geweerschoten en plaste hij in zijn broek bij de gedachte dat hij hier weldra aan zou moeten deelnemen.
Met een broek vol goesting en een sadistische bulderlach verliet de moddervette Inomiruvisch Moebrakadafali Dalc ons. Toen Oinoc de blik op m’n gezicht gewaarwerd, vroeg hij, “Wat scheelt er? Je kijkt alsof de gouverneur op het punt staat om je vrouw te naaien.”
“Dat is ook zo”, stamelde ik met dichtgeknepen keel. Afgepeigerd als ik was, vertelde ik hem toch nog mijn hele verhaal en vroeg ik hem nog over de oorlog. De gevechten bleven maar doorgaan. Er waren al honderden doden, maar er leek maar geen einde aan te komen.
Enkele uren later legde ik me neer op m’n slaapmat en probeerde ik wat te slapen. De rode mieren beten me in m’n gezicht en grote muggen zoemden rond me heen, maar zelfs die strontvervelende insecten sloegen er niet in om het kwalijke beeld uit m’n hoofd te verbannen: Dalc met Juliana, Juliana met Dalc. In die bunker. Nee, dat kon niet, dat mocht niet. Maar het was de enige waarheid.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen